You can’t touch this

Zaterdagavond. Na een gezellig bezoekje aan vrienden ben ik te voet onderweg naar huis. Ik ben goed gezind want, hoewel het redelijk koud is, geniet ik best van zulke nachtelijke wandelingen. Ik loop vrolijk door de stad. Minding my own business. Van mijn goede humeur blijft helaas al snel niet veel meer over wanneer drie mannen mijn pad kruisen. Ze bekijken me van boven tot onder en beginnen naar me te roepen. Eentje heeft het over mijn borsten, zijn vriend eist dat ik met hen mee kom en de derde vindt dat ik eruit zie als een hoer. Er volgt nog wat woordenschat die ik niet eens wil neerschrijven. Totaal van de kaart ga ik zo snel mogelijk naar huis. Mijn eigenwaarde zit ongeveer tien meter onder de grond.

Enkele maanden geleden werd ik gevolgd. Opzettelijk was het eigenaardige type op dezelfde bus gestapt als ik. Hoewel het voertuig zo goed als leeg was, koos hij het stoeltje naast mij. Vervolgens was het overduidelijk zijn bedoeling om samen met mij af te stappen, waar dat dan ook mocht zijn. De buschauffeur had het gelukkig ook in de mot en raadde me aan te blijven zitten tot aan het einde van de rit. De vreemde figuur weigerde aanvankelijk de bus te verlaten zonder mij, maar werd eraf gezet. De chauffeur zette me een eindje verder af en vertelde me dat hij en zijn collega’s wekelijks getuige zijn van situaties als deze. Ik herhaal: op z’n minst wekelijks. Dat ik gedwongen word mijn reisweg aan te passen voor zo’n stuk onbenul, vind ik gewoonweg zum Kotzen.

Ik ben niet iemand die zich als vrouw snel benadeeld voelt in onze maatschappij. Ik kan best lachen met een “vrouwonvriendelijk” mopje en ik ben ervan overtuigd dat mannen door vrouwen óók geobjectiveerd worden. Wat ik niet kan verdragen, is dat ik door totaal onbekende lui zonder enige reden aan de imaginaire schandpaal word genageld. Wat geeft hen in godsnaam het recht?

Keer op keer vraag ik me af wat de bedoeling is van zulke praktijken. Ik kan alleen maar bedenken dat die figuren wanhopig het gevoel willen hebben dat ze eventjes over een klein beetje macht beschikken. Misschien zijn ze zelf redelijk onzeker en zoeken ze hun plekje binnen de samenleving? Misschien hebben ze het gevoel niet echt een identiteit te hebben en proberen ze zo die van anderen te ondermijnen? Misschien vervelen ze zich gewoon ontzettend, worden ze knettergek van iedere dag opnieuw doelloos door diezelfde straatjes te slenteren en doen ze alles om hun dagen wat op te leuken?

Het tragische is dat die mannen die woorden, die ze zo achteloos uitspuwden, twee straten verder alweer vergeten zijn. Terwijl ik wanneer ik thuis kom een stevig potje zit te huilen. Niet omdat ik me beledigd voel door de termen die ik naar mijn hoofd geslingerd kreeg – wat zo’n vortlap die het woord “vrouw” waarschijnlijk niet eens kan spellen van me denkt, laat me gelukkig nog redelijk koud. Nee, ik voel me slecht omdat zulk gedrag vandaag de dag bijna normaal lijkt geworden, omdat ik niet kan geloven dat iemand zo kan zijn en omdat ik me totaal machteloos voel. Graag was ik op hen afgestapt en had ik gevraagd wat in vredesnaam het probleem was, maar daarvoor was ik te hard van slag. Nog liever had ik terug willen roepen dat ze “zich mochten gaan aftrekken met een hand vol punaises” (niet mijn quote, helaas). Maar ik was met verstomming geslagen. Het liefst had ik hen nog allemaal een voenk op hun oog gegeven, maar als meisje dat nog nooit iemand geslagen heeft, was de kans dat ik zou zegevieren bijzonder klein. Dus deed ik niks en ben ik uiteindelijk vooral kwaad op mezelf. Ik voel me zwak, terwijl dat helemaal niet zou moeten. “We laten ons onze vrijheden niet ontnemen.” Ik hoor het ze graag zeggen, de wereldleiders, maar wanneer vriendinnen nauwelijks nog buiten durven komen, meisjes te horen krijgen dat ze “een armlengte afstand moeten houden” en ikzelf overweeg om me toch maar eens pepperspray aan te schaffen, vraag ik me af of het daar niet al lang te laat voor is.

Ook op vlak van fysiek contact lijken sommige mannen zichzelf zo begeerlijk te vinden dat wij als zwak, wanhopig meisje die kans toch niet aan ons voorbij kunnen laten gaan. Wie dat wel doet, is overdreven preuts. De zeldzame keren dat ik in Berlijn uitging, werd ik vreemd bekeken wanneer ik zei dat ik niet naar daar was gekomen om als sardienen in blik tegen één of andere mottige vent te staan schuren. “Jij bent hier, zonder gezelschap van een man? Dan wil je dat toch duidelijk wel?” What? En toen ik onlangs in de Qué Pasa was, probeerde een Nederlandse dude me de ganse avond…om het ranzig te zeggen…binnen te doen (te muilen, if you will. Al vind ik dat veruit het lelijkste woord van de afgelopen jaren. Ugh). Ik werd onpasselijk van het idee alleen al, maar keer op keer herhaalde hij dat dat toch allemaal geen probleem was, er was immers geen liefje in de buurt. Fuck, is het dan zo ondenkbaar dat ik dat zélf niet wil? Dat ik zélf die beslissing neem? Het lijkt misschien moeilijk te vatten, maar als ik bepoteld wilde worden door een hitsige Hollander, zat ik niet op vrijdagavond ‘Soldiers Of Love’ mee te brullen in een van de bekendste gay bars van ‘t stad. Just sayin’.

We moeten het maar niet zoeken, zeggen ze. We moeten niet te uitdagend gekleed gaan, we moeten veiligere wegen nemen en we moeten altijd in groep zijn. Laten we nu nog maar eens roepen, schreeuwen, in de gazetten drukken, op een t-shirt zetten of in de lucht schrijven dat niemand.dit.zoekt. Dit gebeurt niet omdat ik graag alleen ben. Dit gebeurt niet omdat ik te weinig kleren draag, of te veel. Dit gebeurt niet omdat ik vrij rond wil lopen in de stad waar ik woon. Als ik om drie uur ’s nachts alleen en poedelnaakt door de straten van Antwerpen wil huppelen en daarbij de Macarena wil dansen, dan zou dat moeten kunnen (al zijn er dan weer andere argumenten om dat niet te doen). Die droevige voorvallen gebeuren enkel en alleen omdat er mensen bestaan die niet in staat zijn om anderen in hun waarde te laten. Om voorbijgangers te laten passeren zonder de gefrustreerde rotzak uit te hangen. Om gewoon met hun poten van andermans lijf te blijven. En nee, ik weiger mij daaraan aan te passen. Vanaf het moment dat we dat doen, winnen zij. Dat gun ik die schurken echt niet.

 

82379-how-about-no-gif-Kurt-GLEE-N6Eq.gif

 

 

 

 

Advertenties

Not sure if ignorant…or just hella rude.

Deze week deed ik bardienst in het theater waar ik speel. Op zich niet zo bijzonder. Omdat kleinere theaters meestal niet over de middelen beschikken om personeel in te huren, worden bardiensten verdeeld onder de acteurs. Samenwerken met mensen die intussen vrienden zijn, contact houden met zowel de andere acteurs als de toeschouwers én op de hoogte blijven van de laatste nieuwe intriges… ik vind dat altijd een toffe bezigheid. Of toch bijna altijd.

Het theater was afgehuurd door een grote groep en was dus tot de nok gevuld. Al snel werd duidelijk dat het hier om redelijk ongeremde luitjes ging die eerder gekomen waren om gezellig wat pintjes achterover te slaan dan om zichzelf cultuur bij te brengen. Geen probleem en zeer goed voor de kassa, maar voor de mensen achter de bar betekent zo’n avond natuurlijk travakken. Als een ervaren bartender vloog ik over de vloer en jongleerde ik haast met glazen en flesjes, terwijl ik de mensen nog steeds op de meest vriendelijke wijze te woord stond. Helaas hadden zij andere plannen.

Toen de voorstelling al zo’n twintig minuten bezig was en we aan het bekomen waren van de chaos van eerder die avond, kwam een man de bar binnen om te melden dat hij te laat was (wat we intussen zelf al hadden opgemerkt) en dat hij graag naar de zaal begeleid zou worden. Aangezien ik zelf krankzinnig word van mensen die te laat op een voorstelling of in de cinema aankomen en dan met het lichtje van hun gsm op zoek gaan naar de stoel die het meest aan hun eisen voldoet ­– kom toch gewoon op tijd of blijf thuis – vond ik deze vraag al redelijk bizar. Helemaal straf werd het wanneer hij bij mijn collega informeerde of wij een “chargeur” ter beschikking hadden (serieus, een chargeur) en of we “zenne frak is ni zouden aanpakken” omdat de vestiaire natuurlijk al gesloten was. Vijf minuten later arriveerde een tweede man en weer wat later een vrouw. Zij eiste eerst dringend een glas wijn dat ze zelf van mijn werkblad grabbelde en begaf zich naar de zaal op het moment dat zij daar behoefte aan had. Mijn vriendinnetje achter de bar zag eruit alsof ze ieder moment vuur kon spuwen.

De pauze verliep ook niet zonder slag of stoot. Hoewel ik zichtbaar met drie bestellingen tegelijk bezig was, achtten enkele aanwezigen het nodig er nog een paar bij te lappen. “Juffra! JUFFRA!” brulden ze. Ik verzocht hen, nog steeds met de glimlach, eventjes geduld te oefenen. Toen het tweede deel moest beginnen, klonk het signaal om terug naar de zaal te keren. Enkele figuren lieten zich echter niet de les spellen en bleven na drie belsignalen en enkele oproepen van mijn collega nog steeds hevig tateren. Toen ik hen zei dat we “indien het voor hen past, natuurlijk, graag verder zouden gaan”, keken ze me aan alsof ik volledig knettergek was. En wanneer ik die avond op een bepaald moment een glas rode wijn in mijn handen gestompt kreeg omdat het “toch wel één à twee slokjes te vol was”, wilde ik het hele glas het liefst over die mans hemelblauwe polo gieten óf er zelf een flinke slok van nemen en het hem zelfvoldaan weer overhandigen. Helaas was ik te verrast (en stond de voorzitter op enkele meters van mij), maar volgende keer doe ik het écht.

Enkele maanden eerder had ik trouwens ook al eens zo’n wijnfiasco. Een vrouw gaf me de wind van voren omdat ik in het heetst van de strijd haar bestelling vergeten was. Oké, mijn fout, maar een rustige “Excuseer, u vergat mijn wijntjes” was voor deze dame totaal geen optie. Met denigrerende blik beet ze me toe dat ze een bestelling had geplaatst en “of dat hier de normale gang van zaken was misschien”. Ze bleef me, in plaats van haar bestelling te herhalen, aankijken alsof ik net haar huisdier had gemold en wachtte tot ik het me weer zou herinneren. Hoewel ik vermoedde dat het inderdaad om twee rode wijntjes ging, durfde ik geen woord meer uitbrengen uit angst een verkeerde gok te wagen. De mede-acteur die toen mee achter de bar stond, vond het hele voorval schitterend en deed er al grijnzend nog een schepje bovenop (thanks a lot), maar ik was totaal uit mijn lood geslagen.

Men zou denken dat ik na meer dan elf maanden in Berlijn wel ongeveer alles gezien heb op vlak van onbeschoft gedrag, maar nog steeds verbaast het me hoe mensen zich zo arrogant kunnen opstellen. We leven blijkbaar in een wereld waar het normaal is om kassamedewerkers te beledigen, leerkrachten uit te schelden met woordenschat waar ik op die leeftijd niet eens over beschikte, onze drankjes op de vloer uit te kappen omdat “de kuisvrouwen daar toch voor betaald worden zeker” en mensen die geheel vrijwillig de bar van een theater bemannen, te behandelen als slaafjes. Wel, ik vind dat absoluut niet normaal en kan in zulke gevallen alleen maar plaatsvervangende schaamte ervaren.

Hoewel ik in het verleden ook al wel eens “al lachend” het verwijt kreeg een pretentieuze feeks te zijn, kan ik me niet herinneren dat ik ooit iemand op die manier behandeld heb. Ja, soms duurt het lang in de winkel. Ja, soms moet je zes keer terugbellen en is er dan nog steeds iets mis met je technische apparatuur. Ja, soms stelt het personeel in het Kruidvat ook mijn geduld op de proef (sorry, maar die mensen slepen nu toch wel echt de meest-onvriendelijke-personeelsprijs in de wacht). Maar is dat allemaal een reden om ons te gaan gedragen als losgeslagen beesten die voor het eerst in de maatschappij terechtkomen? Sommige jongeren lijken geen enkele vorm van opvoeding genoten te hebben. Maar vooraleer we de “de-jeugd-van-tegenwoordig-kaart” trekken: ook de oudere generatie kan serieus de azijnpisser uithangen.

Ik zou iedereen dus willen aansporen om een beetje vriendelijk te zijn tegen mensen die ook maar gewoon hun job doen. Normaal doen kost nog steeds niets. Misschien kan er zelfs een klein lachje bij?

Verder is iedereen ook van harte uitgenodigd voor ‘Lili en Marleen’, de voorstelling die binnenkort in ons theater loopt. Ik zeg wel: de eerste die begint te zeuren over rode wijn, kan vertrekken.

 

“Go to a stripclub” they said

“Go to a stripclub” they said

Omdat een reisje New York om onvergetelijke ervaringen vraagt, besluiten mijn reisgezel en ik om onze laatste avond door te brengen in een stripclub. Uiteraard had ik op voorhand de nodige research gedaan en de beste club van de stad uitgezocht. “De routines in ‘Magic Mike’ zijn klein bier in vergelijking met wat deze hunks presteren”, aldus de recensies. Oke, dit zou het worden. Na een telefoontje met de organisator, die het belang van op tijd komen voor de allerbeste plekjes benadrukte, kocht ik resoluut VIP-tickets. Entertainment, meezingnummers en (half)naakte Matthew McConaughey look-alikes? Bring.it.on.

Een tikkeltje zenuwachtig en vastberaden om de beste plaatsen te veroveren, komen mijn vriendin en ik ruim een uur op voorhand aan. Bestelbusje van de firma buiten, twee portiers en… geen volk. Vreemd, want had die man nu niet gezegd dat deze shows steeds tjokvol zaten? Enthousiast worden we begroet door een jongeheer met als schoeisel de beroemde en beruchte donkerblauwe “Adidasbadsloef”. Niet meteen mijn favoriete fashion statement, maar oke, ik ben niet gekomen om kritisch te zijn. Wanneer we zeggen dat we niet echt weten wat te verwachten, zegt hij zelfzeker: “Expect it all.” Nog steeds enthousiast worden we naar onze plaatsen gebracht die zich vlak aan het podium bevinden. Logisch, gezien de VIP-tickets, maar die grote opkomst waarvoor verwittigd werd, blijft toch nog uit. Twee mannen feliciteren ons met onze beslissing om op zondagavond te komen. “Op zaterdag is het madness! Tot wel 546 mensen!” Opnieuw vrij opmerkelijk, aangezien we op dat moment met niet meer dan vijf nieuwsgierige meisjes in het zaaltje zitten en de locatie door mijn vriendin terecht beschreven wordt als “de plaatselijke parochiezaal”.

Na een verhitte discussie over de prijs van de drankjes word ik door het personeel verplicht om het conflict zelf op te lossen. Op weg naar de badsloefman van weleer, stapelen de vragen zich stilaan op. Terwijl ik hem sta op te wachten, werp ik een blik op de reservatielijst van vanavond. Drie reservaties, inclusief de mijne. Verward vraag ik hoeveel leden er nog verwacht worden. Het antwoord krijg ik met een uitgestreken gezicht: twee meisjes, wat het eindtotaal op zeven brengt. Een enorm verschil met die 546 zogezegde leden van amper vierentwintig uur geleden. Tevergeefs probeert de medewerker me te sussen door te zeggen dat dit iets positiefs is, dat we op die manier optimaal kunnen genieten. “Dit is toch wel vrij pijnlijk”, merkt mijn vriendinnetje niet geheel onterecht op. Toch probeer ik haar -en mezelf- ervan te overtuigen dat het feest ieder moment zal losbarsten. De gedachte dat VIP-tickets helemaal niet nodig waren en dat we met de meest goedkope tickets exact dezelfde stoeltjes hadden gehad, verdring ik naar de achtergrond. Stoeltjes die de naam trouwens niet waardig zijn en die het meubilair in de feestzaal van Ursulinen Mechelen doen aanvoelen als freakin’ Chesterfields.

Enkele mannen komen zich voorstellen en leggen zonder schroom onze handen op hun tepels. Voor twintig Dollar kunnen we een lapdance krijgen, en even wordt mijn vriendin meegenomen voor een “privé-act”. Wanneer ze dat weigert en totaal ontzet terugkeert, begin ik echt wel te hopen dat de show gaat beginnen en dat de focus vanavond toch nog op dansen ligt. Ondertussen liggen mijn handen op de billen van een wildvreemde en niet eens zo knappe man. Ik ben me ervan bewust dat het type man dat ik aantrekkelijk vind en het type man dat met strippen de kost verdient wellicht niet hetzelfde is, maar toch. Na een tijdje wordt hij nijdig omdat ik hem geen geld toestop. Mijn compagnon en ik zijn zeker niet preuts, maar dit voelt toch zeer ongemakkelijk. Zo zonder introductie, zonder show, zonder sfeer, zonder volk.

Oke, het is zover. Een man gekleed in leder en voorzien van gitaar bestijgt het podium en spreekt het publiek toe al was hij een hoofdact in het Sportpaleis: “Make some noooooooise!” beveelt hij, zich schijnbaar niet bewust van het feit dat er vijf man in de zaal zit. Nummer zes en zeven, zo wordt stilaan pijnlijk duidelijk, komen niet meer opdagen. De man raadt ons aan niet te hevig recht te staan om niet “cock-eyed” te worden. Actual words. Het is op dit moment dat ik de wanhoop in mijn vriendins ogen voor het eerst opmerk. “Gladys, hier is helemaal geen sfeer en er is nog helemaal niet gedanst en we worden hier betast? Eigenlijk wil ik naar huis.” Toegegeven, ik had me bij een “dansshow” ook eerder een rijtje mannen in regenjassen en met paraplu’s voorgesteld die zich in één ruk van hun outfit zouden ontdoen op de legendarische beats van ‘It’s raining men’, maar dat komt misschien nog? Al begint het hier eigenlijk steeds meer op een slecht georganiseerd bordeel te lijken…

Het absolute dieptepunt komt wanneer de host er de gastenlijst (al is “lijst” misschien wat overdreven) bijhaalt en een stoel op het podium zet. Het gevoel dat ik op dit moment ervaar, kan het best vergeleken worden met de zenuwslopende minuut waarin je weet dat de middelbare schoolleerkracht op het punt staat iemand aan te duiden om een spreekbeurt te geven die eigenlijk niemand heeft gemaakt. Met opengesperde ogen bid ik tot alles wat me dierbaar is dat onze namen niet worden afgeroepen.

Thank God. De eer is aan het meisje naast ons, die er ook niet meteen overdreven enthousiast uitziet wanneer ze plaatsneemt in de ‘Hotchair’. De host deelt luchtig mee dat iedereen aan de beurt komt. Shit. Je bent echter wel verplicht dollarbriefjes mee te brengen naar de stoel. Die mag je dan “overal steken waar je wil dat zij het uit komen halen.” Shit. Wanhopig kijk ik opzij, maar wat ik daar zie, is nog veel erger. Een van de aanwezige dames en een medewerker staan bronstig te dry humpen tegen het amateuristische decor. Shit shit shit. Ik wil mezelf niet afvragen hoeveel dat vrouwtje voor dit tafereel moet neertellen. Ik voel dat alle kleur mijn gezicht verlaten heeft en zie dat ook mijn metgezel alle levenszin verliest. Nogmaals vraagt ze mij of we alsjeblief naar huis kunnen, maar ik kan geen woord meer uitbrengen. Het idee de volgende te zijn die het podium op moet, maakt ons misselijk.

Wanneer het slachtoffer op de Hotchair getrakteerd wordt op de eerste dansact, heb ik het laatste greintje hoop op een degelijke show al lang laten varen. Hoewel het op dit punt onmogelijk lijkt nog meer teleurgesteld te kunnen worden, gebeurt dat toch. Drie ronduit spauwlelijke mannen komen het podium op in iets wat lijkt op een verfrommelde pyjama. Het moet een matrozenpak voorstellen. Verkrampt beginnen ze een dansje waarbij ze elkaar moeten observeren om zich de moves te herinneren. Ze schuren op de meest traumatiserende wijzes tegen het meisje aan. Ik heb me nog nooit zo beschaamd en gedwongen gevoeld. Hoe kan dit in vredesnaam dezelfde show zijn die wordt opgevoerd voor vijfhonderd mensen? Hoe kan dit dezelfde ervaring zijn waar mensen vol lof over schrijven? Het lijkt alsof de organisatoren bij het gebrek aan publiek gewoon de volledige show hebben geschrapt en ons van zo veel mogelijk geld willen beroven. Ik besef dat het nu of nooit is en geef gehoor aan de smeekbedes van mijn vriendin. Zo subtiel mogelijk verzamel ik mijn spullen, alsof er effectief een kans bestaat dat veertig procent van het publiek onopvallend naar buiten kan hollen. We halen diep adem, staan recht, negeren de verontwaardigde “You’re leaving?!” van het personeel en banen ons een weg uit deze martelkamer. Even denk ik aan de meisjes die met z’n drieën (!) overblijven, maar nu is het ieder voor zich.

We dwalen door de straten van New York City. We lachen. We zwijgen. We proberen dit een plaats te geven. Uiteindelijk spenderen we onze laatste avond in de Irish Pub. Omdat een liter Guinness mij tenminste nog nooit ongevraagd heeft bepoteld.

Met vallen en opstaan. Maar toch vooral vallen.

Voor iedereen komt er een moment waarop je beseft dat alles wat je ooit dacht te weten over jezelf, één grote leugen is. Bij mij kwam dat keerpunt toen ik enkele jaren geleden op een vrij posh verjaardagsfeestje was. Tenten, witte receptietafeltjes en muziekbandje incluis. Al grappend had ik het met een mede-aanwezige over de onfortuinlijke positie van de tentpiketten ten opzichte van de barbecue. “Daar gaat vanavond iemand over vallen” -“Stel je voor! Zo gênant! Dan hopelijk wel als het een beetje donkerder is en het volk meer verspreid staat, kwestie van niet vollédig af te gaan, haha!”

Ik – die toen ongeveer 16 of 17 jaar moet zijn geweest en dacht alle levenswijsheid al vergaard te hebben – laadde mijn bord vol “vlezekes” en begaf me met de nodige pretentie (waarvan ik toen dacht dat het aangeboren gratie was) naar mijn receptietafeltje. Daar kwam ik echter nooit aan. De oorzaak? Iets te veel zelfvertrouwen, karma en hierboven vernoemd piket. Mijn bord enkele meters verder en overal vlees, mayonaise en geraspte wortels. Op mij, onder mij, tussen mij. Ik was al eerder gevallen, absoluut. Maar dit was toch wel a new low.

Toen ik daar zo werd bekeken door een massa leeftijdsgenoten waarvan de helft ongetwijfeld onze hele middelbare schoolcarrière lang op dit moment gewacht had en de andere helft het ook behoorlijk geweldig vond, besefte ik dat ik simpelweg niet was wie ik zo graag wilde zijn. Ik was geen Queen Bee. Ik was geen personage uit “Mean Girls”. Ik behoor immers niet tot die groep van “perfecte” mensen die hun zaakjes ZO goed voor elkaar hebben dat je je weleens afvraagt of het gewone stervelingen zijn. De mensen die nooit een blunder begaan, nooit okselvijvers hebben, nooit knorren tijdens het lachen of nooit snurken als wilde varkens. Mensen die nooit bier in hun neusgaten hebben, die nooit iets zeggen wat de sfeer totaal verziekt en die quinoa en magere yoghurt oprecht het hoogste genot vinden. Mensen die steeds mooi gekleed zijn en dus onverwacht bezoek kunnen ontvangen zonder er dan uit te zien als Nancy uit ‘Thuis’. Mensen die alleen van “hippe” liedjes houden (en niet stiekem eerder van de Hollandse smartlappen zijn), die zich perfect aanpassen aan iedere situatie en die muziek kunnen horen zonder te doen alsof ze op Broadway staan, ongeacht de omgeving (Begrafenissen? Check). Mensen die constant streven naar de beste en meest gezonde versie van zichzelf en die nooit moeten verstoppen dat ze na enkele trappen liefst eventjes zouden gaan zitten en dat ze op restaurant liever een Duveltje drinken dan van de bijpassende rode wijn te nippen. Mensen die het verleden écht kunnen loslaten, die joggen of fitnessen écht leuk vinden (huh?), die altijd perfect op foto’s staan en die “eten omdat het moet, niet omdat het kan” (heh?!).

Nu ik dat beseft heb, kan ik dus bevestigen dat zelfkennis in mijn geval inderdaad met de jaren komt. Gratie? Klasse? Niet voor mij.

En eigenlijk he… is het veel leuker zo.