De strijd om de blauwe duimpjes: geven social media ons echt de bevestiging die we zoeken?

Perfecte lichtinval. Flatterende filter. Eyeliner on point. Ja hoor, deze foto wordt een hit op Instagram. Voor de zekerheid voorzien we hem nog van een hashtag of zestien – ieder woord dat ook maar in de verste verte gelinkt kan worden aan dit kiekje, wordt erbij gelapt. Dit wordt hem eindelijk: de post die ons eeuwige social mediaglorie zal opleveren. Fame, here we come… of ook niet. Groot is de teleurstelling wanneer de hartjes en follows na 48 uur nog steeds op één hand te tellen zijn. Terwijl andere Instagrammers na 40 minuten zowaar 534 likes hebben verzameld op een foto van wat zorgvuldig geschikte granen en blauwe bessen, lukt het hier amper om aan 11 liefhebbers te raken zodat die verdomde namen vervangen worden door een cijfertje (want ja, dat is belangrijk). The struggle is real.

Op naar Facebook dan. Hier geldt voornamelijk de regel: de grootste rotzooi is het populairst. Een doordachte post waar we fier op zijn, waar we van denken: “yes, dit is fire”? Vergeet het maar. Wat wél in de smaak valt, zijn dingen die we er zonder enig nadenken op hebben gezwierd. Een Starbucksbeker met fout geschreven naam, om maar iets te noemen. We zouden voor minder gefrustreerd worden. Maar waarom hechten we zo immens veel belang aan die duimpjes?

In dit tijdperk waar “defrienden” zowat het ergste is wat iemand ons kan aandoen, draait het allemaal om bevestiging. Die likes en comments boosten ons ego. Ze tonen aan hoe boeiend ons leven is, hoe knap we eruitzien of hoe geliefd onze witty status updates zijn. ’t Is te zeggen; hoe boeiend het leven van ons online alter-ego is. Want laat ons wel wezen: wat we prijsgeven op het internet, is verre van het volledige pakketje. De social mediaversie van onszelf is aanwezig op fancy events, ademt cultuur, is constant op trot met de squad en bestelt de meest sexy gerechtjes op restaurant. Dat we de overige avonden doorbrengen met de personages uit ‘Thuis’, dat we dat ene feestje hebben afgezegd omdat we écht geen zin hadden om ons haar te wassen en dat we ons voor de derde keer deze week hebben volgestoken met meeneemchinees… dat is minder van belang. Die duistere kant mag alleen geweten zijn door de échte amigos, de vertrouwenspersonen… de vrienden op Snapchat.

Met mijn 220 Facebookvrienden hou ik het nog relatief rustig. Ik heb het altijd vreemd gevonden hoe mensen “bevriend” zijn met iemand die ze overduidelijk niet moeten of van haar noch pluim kennen. Ik zou met iedereen met wie ik op Facebook vriendjes ben een praatje maken, moest ik ze tegen het lijf lopen. Of er op z’n minst een vriendelijk knikje tegenaan gooien. Klinkt logisch, maar dat is het niet voor iedere gebruiker. Ik kan de keren dat ik werd aangesproken over het feit dat ik een vriendschapsverzoek geweigerd had niet meer tellen. Ik dacht dat die term “verzoek” betekende dat ik zelf nog enigszins inspraak had in wie ik accepteerde en wie niet. My bad. En onlangs kreeg ik te horen dat ik twee kennissen nogal had geschoffeerd door hen te ontvolgen op Instagram. Ten eerste was er verbazingwekkend weinig tijd tussen mijn handeling en hun akelige ontdekking (eentje bleek een app te hebben die meteen meldt wanneer iemand ontvolgt… redelijk lame vind ik dat), ten tweede was ik me er totaal niet van bewust dat een beperkter en voor mij interessanter nieuwsoverzichtje willen, niet zonder gevolgen is. Sorrynotsorry.

Zelf probeer ik me steeds minder druk te maken om wat er op mijn schermpje gebeurt. Toegegeven, dat is niet evident. Enkele vrienden pleegden al “zelfmoord” op sociale media. Ze verwijderden dus hun accounts omdat ze vonden dat ze het hele wereldje niet zo goed meer konden relativeren. Dat is best moedig, want hoewel je dan wel ontsnapt aan heel wat schrijnende taferelen (de commentsectie op HLN, anyone?),  ben je ook een zeer belangrijk communicatiemiddel kwijt.

Sociale media geven ons het gevoel dat de wereld binnen handbereik ligt. We kunnen met iedereen moeiteloos in contact blijven en we zijn van alles op de hoogte. Anderzijds vergeten we daardoor vaak optimaal te genieten van het hier en nu. Iedereen kent ze wel: de concertgangers die het halve concert besteden aan het positioneren van hun iPhone en de andere helft aan het uploaden van het net genomen filmpje. Ik gruwel ervan, maar helaas ben ik geen haar beter. Toen ik afgelopen zomer op vakantie ging naar New York, betrapte ik mezelf erop dat ik soms eerder bezig was met het thuisfront op de hoogte te houden door middel van hippe posts, dan dat ik effectief genoot van de stad. Eigenlijk vind ik het best jammer dat ik zulke dingen niet 20 jaar geleden kon doen. Af en toe een telefoontje om moe en va te vertellen dat je nog niet gekidnapt bent, en klaar. Vandaag kan je aan het andere eind van de wereld zitten en toch iedere avond bij elkaar in de huiskamer zijn. Cosy, maar zo verdwijnt een groot deel van de charme die “er tussenuit gaan” met zich meebrengt. Ook tijdens mijn jaar abroad ben ik op die manier veel te hard bezig geweest met wat er thuis allemaal gebeurde, hoewel dat net was wat ik mezelf opgelegd had niet te doen. Sure, het was best handig dat ik niet te veel moest missen, maar dat ik op oudjaar in Berlijn liever binnen bleef om te Skypen, dat kan niet de bedoeling zijn geweest.

Be that as it may, ik ben nog steeds eerder pro dan contra. Zo heb ik enkele vrienden met wie ik nooit zo close zou zijn geworden zonder al die nachtelijke chatgesprekjes. En wie zou nu nog zonder Tumblr, Vine en 9GAG kunnen? Zolang we het allemaal niet te serieus nemen en er positief mee omgaan, is het best oké. Tenslotte is het wat er in real life gebeurt dat echt van belang is. Zonder flatterende filter.

 

Al zijn een paar likes mooi meegenomen, natuurlijk.

Advertenties

Sorry seems to be the hardest word

Enkele posts geleden had ik het over vriendschappen die op een pijnlijke manier eindigen. Omdat ik daar de afgelopen weken een beetje mee in mijn hoofd zat, besloot ik toenadering te zoeken tot één van die ex-best friends. Ik stelde een berichtje op waarin ik zei dat ik hoopte dat we na al die tijd de dingen iets meer konden relativeren. Ik vertelde dat ik besefte dat we beiden fouten hadden gemaakt, dat ik het jammer vond dat alles zo was gelopen en dat ik hoopte dat het hem goed ging. Uiteraard verwachtte ik geen sprookjesachtige verzoening, maar ik was ervan overtuigd dat we de dingen ondertussen vanuit een ander perspectief konden bekijken en dat we ooit misschien weer op een fatsoenlijke manier met elkaar konden omgaan. Hij antwoordde dat ik een egoïstische klootzak ben en dat ik blij mocht zijn dat hij het nog zo beleefd verwoordde, want dat hij geen vriendelijkere termen kon bedenken om mij mee te beschrijven. Okay…he sure can hold a grudge. Tot zover dat relativeren.

You pretentious piece of shit. Dat was mijn eerste reactie. Overmand door verontwaardiging en woede (serieus, hij sprak me aan met “gast”? Niet doen) was dat dan ook exact wat ik terugkaatste. Oeps. Ik voelde me redelijk vernederd, want tenslotte had ik een knieval gedaan en gedroeg hij zich als een soort van halfgod die niet kon geloven dat deze ordinaire sterveling hem probeerde te benaderen. Maar hoewel ik eerst spijt had van mijn bericht, bedacht ik me al snel dat ik niet degene was die zich slecht moest voelen. Ik was wel degelijk the bigger person geweest en hoewel hij wanhopig probeerde te laten blijken dat hij het verleden had losgelaten, kon ik uit zijn reactie alleen frustratie afleiden. Ondanks dat mijn vredesvoorstel niet bepaald positief onthaald werd, heb ik mijn best gedaan. En wat die ex-best friend betreft, wens ik hem en zijn haatdragende karakter het allerbeste toe.

Want dát is nu net de conclusie waar ik toe gekomen ben: ik koester geen wrok, tegenover niemand. Technisch bekeken zijn er een heleboel mensen waar ik boos op zou kunnen zijn: vrienden die me lieten staan, leerkrachten die zeiden dat ik nooit iets zou bereiken, ouders die vooral hun best deden om te tonen hoe het niet moet, interim-medewerkers die nooit terugbelden en jongens die mijn hart braken. Natuurlijk voelen we ons allemaal wel eens serieus in de zeik genomen. Het is dan ook perfect normaal om eventjes nijdig te zijn. Als ik een euro moest krijgen voor iedere keer dat ik iemand de cholera had toegewenst, zou ik oneindig lang zwemmen in het geld. Zulke woede-uitbarstingen worden echter gevoed door een gevoel van onmacht dat meestal even snel verdwijnt als het gekomen is. Dus, eens de gemoederen bedaard, ben ik volledig vrij van haatgevoelens. Het is best belangrijk om daarnaar te streven, vind ik. Ik ben ervan overtuigd dat, zolang je op wraak blijft zinnen, je niet verder kan. Hoewel woede je in eerste instantie een vals gevoel van macht kan geven (kwaad zijn is zooooveel makkelijker dan gekwetst zijn), helpt het je eigenlijk geen stap vooruit. Uiteindelijk is er nog maar één iemand die lijdt onder die rancune: jijzelf.

Vergeven doe je dus in de eerste plaats voor jezelf. Omdat je je er écht beter door voelt. Je kan het gedrag van anderen niet bepalen. Je kan niet altijd voorkomen dat iemand je onrecht aandoet. Wat je wél zelf kan kiezen, is in hoeverre je in die negatieve gevoelens blijft hangen. Maar goed, voor het hier op de rubriek van een of andere zweefteef begint te lijken: ik ben ook geen heilig bezeke. Ongetwijfeld heb ik zelf al een handjevol arme stakkers mateloos gefrustreerd en misschien hebben enkelen mij zelfs al de cholera toegewenst. Ik probeer het echt wel hoor; sorry zeggen. Maar verdekke, wat is dat toch moeilijk hé? Iemand je oprechte excuses aanbieden gaat hoe dan ook gepaard met een soort kwetsbaarheid en met het risico de laan te worden uitgestuurd. Hoe dan ook vind ik het zeker het proberen waard, al is het maar om met jezelf in het reine te komen.

Natuurlijk verwacht niemand dat je met iedereen die je ooit pijn hebt gedaan schoon schip gaat maken. Je hoeft je heus niet schuldig te voelen omdat je eens met iemands mislukte kapsel hebt zitten gniffelen. Bovendien is het vrijwel onmogelijk om over alles zomaar de spons te vegen. Sommige mensen hangen gewoon echt de foemp uit. In dat soort situaties probeer ik de neiging om asap de ultieme wraakactie op poten te zetten te onderdrukken en troost ik mezelf met de gedachte dat karma vroeg of laat haar werk wel zal doen. Ik weet niet of ik daar echt in geloof, maar ooit lachte ik een ietwat sullig klasgenootje uit omdat ze een gezwollen oog had en de volgende ochtend werd ik wakker met een drie-keer-zo-grote kastaar op mijn wezen. Geen grap.

Af en toe kunnen we jammer genoeg niet wachten op Miss Karma (ik stel me daar wel een vrouw bij voor, ja) en zijn we gewoon veel te pissed voor al die let-it-go-crap. Mijn vriendinnetje zag ooit op een feestje de jongen terug die op haar hartje had getrapt en ze plaste in zijn pint. Ja, dat is kinderachtig. Ja, dat is ranzig. Maar Oh My God, wat moet dat goed gevoeld hebben toen die etterbuil daarna zelfingenomen van zijn pilsje stond te nippen. Jah, we zijn natuurlijk ook maar mensen en iedereen sluit de zaken op een andere manier af. En soms, héél soms, is wraak gewoon té zoet om te laten liggen.

“No homo bro”

Onlangs toonde ik mijn broer trots mijn nieuwe paar Adidassen. Het klassieke Superstar-model waar ik zo lang naar op zoek was geweest. Hij was onder de indruk: “Wow, die wil ik ook! Maar niet met dat goud erop, da’s gay.” Ik was eventjes met verstomming geslagen. Inderdaad, de vernieuwde versie van deze baskets komt met een klein gouden logootje, maar ik had er niet bij stilgestaan dat dat een no-go zou zijn voor het andere geslacht. Gay, dus. Een logo op een sneaker dat gelijkstaat aan een voorliefde voor mannelijke geslachtsorganen? Ik zag de walging in mijn broers ogen, de angst om als “niet stoer” bestempeld te worden. Amper zestien jaar oud en al zo bezorgd om zijn status als man.

Een onnozele reactie, zou u kunnen denken. Klopt, maar helaas beperkt dit fenomeen zich niet tot jonge kereltjes die op zoek zijn naar zichzelf. Ik herinner me een voorval waarbij ik als klein dotje van mijn papa een roze valiesje had gekregen en hij weigerde met onze nieuwe aankoop voorbij zijn stamkroeg te wandelen. Een vriendin vertelde me dan weer dat haar vriendje demonstratief zijn spieren opspande iedere keer zij in het openbaar zijn arm wilde vastnemen. Vreemd vind ik dat. Bomen van venten die bang zijn van alles wat niet “Ik ben een man en ik hou van bier en tetten” schreeuwt. Is de reputatie van de heteroman dan echt zó fragiel?

Het antwoord lijkt meer dan ooit overduidelijk “ja”. Het bewijs leverden deze mannen zelf door de uitspraak “No homo” in het leven te roepen, een kreet die een eerdere opmerking of handeling die naar hun mening iets te dicht tegen homoseksualiteit aanleunt, moet compenseren. Ik moet er eerlijkheidshalve bij vermelden dat ik denk (en hoop) dat deze term door de meesten eerder als mopje gebruikt wordt, maar de betekenis erachter duidt wel op het feit dat er een constante angst heerst om als “niet mannelijk” gezien te worden.

Één reden zou kunnen zijn dat deze mannen zichzelf zodanig begeerlijk vinden dat ze de wél homoseksuele leden uit hun omgeving duidelijk willen maken dat ze niet openstaan (pun not intended) voor een avontuurtje dus dat alle geïnteresseerden de hoop mogen opbergen. Aangezien het met die interesse volgens mij wel meevalt, wringt het schoentje naar mijn mening ergens helemaal anders. Ik denk namelijk dat er van mannen enorm veel verwacht wordt. Ja, u leest het goed. Hoewel ik er zelf geen deel van uitmaak, kan ik me voorstellen dat het er binnen het milieu van de “echte man” best hard aan toegaat, vooral voor wie niet aan alle criteria voldoet.

“Girls can wear jeans and cut their hair short, wear shirts and boots, because it’s ok to be a boy, but for a boy to look like a girl is degrading.” Charlotte Gainsbourg zei het in 1993 in ‘The Cement Garden’ en dit statement geldt vandaag nog steeds. Als meisje word ik door mijn mannelijke vrienden soms met de vinger gewezen omdat ik “meisjesdingen” leuk vind. Wat zijn dat zelfs, meisjesdingen? Wel, sommige kleuren, muziekgroepen, films of activiteiten zijn blijkbaar minder acceptabel dan andere. Jongens komen met zulke zaken wellicht nóg moeilijker weg zonder uitgelachen te worden door hun geslachtsgenoten. Ik merk dat de elementen die een “goede man” definiëren voor veel mensen nog steeds duidelijk afgelijnd zijn, bijvoorbeeld wanneer mijn 7-jarige broer verwacht wordt sterker en stoerder te zijn dan zijn 23-jarige zus, omdat hij nu eenmaal een hij is. Van kleins af aan worden kinderen zowel op school als thuis overstelpt met regels en richtlijnen die van toepassing zijn op hun geslacht. Meisjes hoeven niet sterk te zijn, jongens moeten sterk zijn. Meisjes mogen voetballen, jongens die willen dansen zijn abnormaal. Het zit ‘m in de kleine dingen. Het begint bij een lagere schoolleerkracht die “enkele sterke jongens” nodig heeft om banken te verplaatsen en voor je het weet lijken die mannen te denken dat ze allemaal als Mike Tysons door het leven moeten gaan. Bewust of onbewust, de druk is er en het is allesbehalve eenvoudig om tegen de stroom in te zwemmen. Zij die dat wel doen, worden door de rest vaak niet langer als een volwaardig lid van de groep gezien. Enorm vermoeiend lijkt me dat hele gedoe. Of hoe gender inequality niet enkel voor vrouwen nadelig is.

Graag zou ik het ook nog even over één bepaalde uitspraak willen hebben. Ik ga dat dus ook gewoon doen want het is mijn blog. Ha! Komt ie: “Ik kan als man niet zeggen dat een andere man mooi of lelijk is.” Niemand die dit nog nooit gehoord heeft. Waarom kan dat eigenlijk niet? Omdat dat de indruk wekt dat de spreker niet meer zo sterk in zijn heteroseksuele schoenen staat? Maar meisjes kunnen andere vrouwen toch beoordelen op hun uiterlijk? Meisjes doen het bijna de hele dag door. Persoonlijk heb ik er absoluut geen moeite mee om een andere vrouw smoking hot te vinden en terwijl overtuigd te blijven van het feit dat een enkeltje richting ‘Lesboville’ me niet aanspreekt. Al zou ik, als ik de kans kreeg, Adele binnendoen nog voor ze “Hello, it’s me” kon zeggen. Dat dan weer wel.

Waarom is het voor mannen dan zoveel moeilijker om zulke uitspraken te doen? Ah, wellicht omdat het “gay” klinkt. En hoewel dit soort man de eerste is om dat adjectief als een of ander scheldwoord over zijn lippen te laten rollen, probeert hij ten allen tijde te vermijden zélf zo genoemd te worden. In het beste geval leidt die drang om zichzelf als man te bewijzen tot het niet dragen van schoenen met een gouden logo. In het slechtste geval leidt het tot verbaal of fysiek geweld tegenover iedereen die zich volgens hen in een minder sterke positie bevindt.

Al bij al moeten deze haantjes dus gewoon een beetje leren chillen en elkaar wat meer ruimte geven. Ruimte voor roze valiesjes en Adidassen met gouden tekentjes. Ruimte om elkaar zonder schroom aantrekkelijk te kunnen noemen, moest die kans zich voordoen (al zei een vriend me ooit dat hij Mick Jagger best een knapperd vond… er zijn natuurlijk wel grenzen).

Voor iedereen die nog steeds mee is en het niet na alinea twee voor bekeken hield: ik ben me absoluut bewust van het feit dat dit stukje boordevol veralgemeningen zit en dat ik bitter weinig afweet van hoe het er bij mannen onder elkaar aan toegaat. Ik wil daarom benadrukken dat het hier gaat over hoe ik de zaken zie. Voor mij is een zelfzekere man niet iemand die zich door een roze valiesje uit zijn lood laat slaan of die de spot drijft met mensen die van andere dingen houden dan hij. Daarom: een woordje van appreciatie aan de vriend (tenminste, ik denk toch dat ik ons intussen als vrienden mag omschrijven) die met zijn gebloemde rugzakje naar de waterpolotraining gaat waar hij de enige niet-gay-speler is. Aan de andere vriend die mij inschakelde om zijn favoriete One Direction-bandlid te helpen kiezen. Aan mijn bompa die, wanneer ik weer eens losga over hoe belangrijk gay rights wel niet zijn, me bijstaat in mijn betoog in plaats van met de ogen te rollen. Aan alle mannen die zich verzetten tegen dat stereotype beeld van hoe ze eruit moeten zien. Inclusief Mick Jagger. 

Zo, ik durf te wedden dat u niet gedacht had dat een artikel over baskets hiertoe zou leiden. Ik ook niet. Mijn excuses en bedankt voor het lezen. I love you all. No homo tho.

Not sure if ignorant…or just hella rude.

Deze week deed ik bardienst in het theater waar ik speel. Op zich niet zo bijzonder. Omdat kleinere theaters meestal niet over de middelen beschikken om personeel in te huren, worden bardiensten verdeeld onder de acteurs. Samenwerken met mensen die intussen vrienden zijn, contact houden met zowel de andere acteurs als de toeschouwers én op de hoogte blijven van de laatste nieuwe intriges… ik vind dat altijd een toffe bezigheid. Of toch bijna altijd.

Het theater was afgehuurd door een grote groep en was dus tot de nok gevuld. Al snel werd duidelijk dat het hier om redelijk ongeremde luitjes ging die eerder gekomen waren om gezellig wat pintjes achterover te slaan dan om zichzelf cultuur bij te brengen. Geen probleem en zeer goed voor de kassa, maar voor de mensen achter de bar betekent zo’n avond natuurlijk travakken. Als een ervaren bartender vloog ik over de vloer en jongleerde ik haast met glazen en flesjes, terwijl ik de mensen nog steeds op de meest vriendelijke wijze te woord stond. Helaas hadden zij andere plannen.

Toen de voorstelling al zo’n twintig minuten bezig was en we aan het bekomen waren van de chaos van eerder die avond, kwam een man de bar binnen om te melden dat hij te laat was (wat we intussen zelf al hadden opgemerkt) en dat hij graag naar de zaal begeleid zou worden. Aangezien ik zelf krankzinnig word van mensen die te laat op een voorstelling of in de cinema aankomen en dan met het lichtje van hun gsm op zoek gaan naar de stoel die het meest aan hun eisen voldoet ­– kom toch gewoon op tijd of blijf thuis – vond ik deze vraag al redelijk bizar. Helemaal straf werd het wanneer hij bij mijn collega informeerde of wij een “chargeur” ter beschikking hadden (serieus, een chargeur) en of we “zenne frak is ni zouden aanpakken” omdat de vestiaire natuurlijk al gesloten was. Vijf minuten later arriveerde een tweede man en weer wat later een vrouw. Zij eiste eerst dringend een glas wijn dat ze zelf van mijn werkblad grabbelde en begaf zich naar de zaal op het moment dat zij daar behoefte aan had. Mijn vriendinnetje achter de bar zag eruit alsof ze ieder moment vuur kon spuwen.

De pauze verliep ook niet zonder slag of stoot. Hoewel ik zichtbaar met drie bestellingen tegelijk bezig was, achtten enkele aanwezigen het nodig er nog een paar bij te lappen. “Juffra! JUFFRA!” brulden ze. Ik verzocht hen, nog steeds met de glimlach, eventjes geduld te oefenen. Toen het tweede deel moest beginnen, klonk het signaal om terug naar de zaal te keren. Enkele figuren lieten zich echter niet de les spellen en bleven na drie belsignalen en enkele oproepen van mijn collega nog steeds hevig tateren. Toen ik hen zei dat we “indien het voor hen past, natuurlijk, graag verder zouden gaan”, keken ze me aan alsof ik volledig knettergek was. En wanneer ik die avond op een bepaald moment een glas rode wijn in mijn handen gestompt kreeg omdat het “toch wel één à twee slokjes te vol was”, wilde ik het hele glas het liefst over die mans hemelblauwe polo gieten óf er zelf een flinke slok van nemen en het hem zelfvoldaan weer overhandigen. Helaas was ik te verrast (en stond de voorzitter op enkele meters van mij), maar volgende keer doe ik het écht.

Enkele maanden eerder had ik trouwens ook al eens zo’n wijnfiasco. Een vrouw gaf me de wind van voren omdat ik in het heetst van de strijd haar bestelling vergeten was. Oké, mijn fout, maar een rustige “Excuseer, u vergat mijn wijntjes” was voor deze dame totaal geen optie. Met denigrerende blik beet ze me toe dat ze een bestelling had geplaatst en “of dat hier de normale gang van zaken was misschien”. Ze bleef me, in plaats van haar bestelling te herhalen, aankijken alsof ik net haar huisdier had gemold en wachtte tot ik het me weer zou herinneren. Hoewel ik vermoedde dat het inderdaad om twee rode wijntjes ging, durfde ik geen woord meer uitbrengen uit angst een verkeerde gok te wagen. De mede-acteur die toen mee achter de bar stond, vond het hele voorval schitterend en deed er al grijnzend nog een schepje bovenop (thanks a lot), maar ik was totaal uit mijn lood geslagen.

Men zou denken dat ik na meer dan elf maanden in Berlijn wel ongeveer alles gezien heb op vlak van onbeschoft gedrag, maar nog steeds verbaast het me hoe mensen zich zo arrogant kunnen opstellen. We leven blijkbaar in een wereld waar het normaal is om kassamedewerkers te beledigen, leerkrachten uit te schelden met woordenschat waar ik op die leeftijd niet eens over beschikte, onze drankjes op de vloer uit te kappen omdat “de kuisvrouwen daar toch voor betaald worden zeker” en mensen die geheel vrijwillig de bar van een theater bemannen, te behandelen als slaafjes. Wel, ik vind dat absoluut niet normaal en kan in zulke gevallen alleen maar plaatsvervangende schaamte ervaren.

Hoewel ik in het verleden ook al wel eens “al lachend” het verwijt kreeg een pretentieuze feeks te zijn, kan ik me niet herinneren dat ik ooit iemand op die manier behandeld heb. Ja, soms duurt het lang in de winkel. Ja, soms moet je zes keer terugbellen en is er dan nog steeds iets mis met je technische apparatuur. Ja, soms stelt het personeel in het Kruidvat ook mijn geduld op de proef (sorry, maar die mensen slepen nu toch wel echt de meest-onvriendelijke-personeelsprijs in de wacht). Maar is dat allemaal een reden om ons te gaan gedragen als losgeslagen beesten die voor het eerst in de maatschappij terechtkomen? Sommige jongeren lijken geen enkele vorm van opvoeding genoten te hebben. Maar vooraleer we de “de-jeugd-van-tegenwoordig-kaart” trekken: ook de oudere generatie kan serieus de azijnpisser uithangen.

Ik zou iedereen dus willen aansporen om een beetje vriendelijk te zijn tegen mensen die ook maar gewoon hun job doen. Normaal doen kost nog steeds niets. Misschien kan er zelfs een klein lachje bij?

Verder is iedereen ook van harte uitgenodigd voor ‘Lili en Marleen’, de voorstelling die binnenkort in ons theater loopt. Ik zeg wel: de eerste die begint te zeuren over rode wijn, kan vertrekken.

 

friENDship

friENDship

Met iemand aan het praten zijn en denken: “Eigenlijk vind ik jou helemaal niet meer zo leuk”. Of, nog minder aangenaam, merken dat jij bij een vriend of vriendin niet meer in die bovenste schuif ligt. Herkenbaar? Sowieso.

Hoe langer hoe meer merk ik dat mijn leeftijdsgenoten en ik onze vrienden zorgvuldig sorteren. Natuurlijk zijn er tientallen ex-klasgenootjes en kennissen met wie we nog eens zouden willen bijpraten, maar dat contact beperkt zich meestal tot die “We moeten nog eens afspreken”-dialoogjes waarbij beide partijen op het moment zelf al weten dat dat in geen honderd jaar gebeuren gaat. Uiteindelijk zijn het dus steeds dezelfde friends die we op regelmatige basis zien en voor wie we effectief moeite willen doen. Hoe ouder we worden en hoe meer verantwoordelijkheden onze kant op komen, hoe kleiner dat groepje wordt. Een normaal fenomeen en helemaal niet zo erg. Tenminste, zolang jij niet degene bent die aan de kant wordt geschoven.

Ik vind het ongelooflijk vreemd hoe vriendschappen soms gewoon in slaap sukkelen. Eerst ben je thick as thieves en kan je je niet voorstellen dat er ooit een moment komt waarop jullie niet langer onvoorwaardelijk stapelgek zijn op elkaar. Je gaat die vriend uiteraard nooit beu worden want dit.is.voor.altijd. En dan plots…boef. Gedaan. Opeens is het er gewoon niet meer. Terwijl je vroeger de uren zat af te tellen tot die bepaalde best friend je zou verblijden met zijn of haar gezelschap, voelt een uitje onder jullie beiden nu eerder als een vervelende opdracht, een soort van verplichting tegenover de vroegere, leukere versie van de vriendschap. En terwijl je tot over niet zo’n erg lange tijd niet kon stoppen met hem of haar de oren van het hoofd te kakelen en dan nog steeds honderd dingen te weinig gezegd had, zit je nu in alle hoeken van je brein te graven naar een anekdote die de pijnlijke stilte tussen jullie zou kunnen doorbreken. Een verklaring voor deze tragische ommezwaai is meestal niet eenvoudig te vinden. Is het die vriend die veranderd is? Ben jij het? Één ding is zeker: het werkt niet meer.

Wanneer een vriendschap die ooit zo enorm veel betekende op z’n einde loopt, is dat messy. Zoals talloze melige Instagram- en Pinterestquotes keer op keer verkondigen: “Niets doet meer pijn dan niet hetzelfde voor iemand betekenen als die persoon voor jou betekent.” Dat is natuurlijk het hele probleem; het gebeurt zelden dat beide vrienden op exact hetzelfde moment hun interesse in elkaar verliezen. De klap komt dus onvermijdelijk harder aan voor diegene die nog wél in de relatie wilde investeren.

Maar of je nu zelf met (of zonder) pijn in het hart de zaken beëindigd hebt of degene bent die met een gekwetst ego achterblijft: You’ll get over it. Zelf bevond ik me al meermaals aan beide kanten. Toen mijn beste vriend – en “stiekem” mijn allereerste en allergrootste crush – op een dag de benen nam en met de noorderzon verdween, kon ik dat maar moeilijk geloven. Ik kon nauwelijks leven met het idee dat ik vanaf die dag nooit meer zou weten hoe het met hem ging. Ondertussen is de motherfucker al ettelijke jaren verschwunden en heb ik het er – op enkele barstjes na – best goed vanaf gebracht. Daarna volgde dan die bff met wie ik vrijwel meteen een duo vormde dat even onafscheidelijk was als Elton John en mottige zonnebrillen. Nog nooit had ik me met iemand zó verbonden gevoeld en ik wist zeker dat dit mijn soulmate for life was. Enige tijd later stond ik op het perron te bidden dat hij niet dezelfde trein moest nemen als ik omdat ik de energie niet meer kon vinden om een volledige rit met hem door te brengen. Na enkele rake verwijten van beide kanten stierf de vriendschap een stille dood. Tragisch, maar ook dat ligt ondertussen achter me. Al kan ik nog steeds niet naar ‘Will & Grace’ kijken.

Moraal van het verhaal is dat we ons over zoiets niet schuldig hoeven te voelen. Het is normaal dat vrienden komen en gaan en dat sommige mensen ons gewoon niet meer boeien. Sure, de vriendschap kan in een dipje zitten en dat hoeft zeker niet het einde te betekenen, maar als de zestiende poging tot een gezellig samenzijn nog steeds even gezellig aanvoelt als een gynaecologisch onderzoek, zou er toch stilaan een belletje moeten gaan rinkelen. Of om het nog eens te zeggen met een sentimentele Instagramquote: “Het leven is te kort om dingen te doen waar je niet gelukkig van wordt.”

Om met een positieve noot af te ronden toch even een shout-out voor mijn friends die na nog steeds hun bangelijke zelf zijn en mij tot op heden ook nog niet ditchten. Dankzij jullie, lieve zonnestraaltjes, geloof ik nog steeds dat het soms wél voor.altijd.is.

Bite me.

Volgens mijn bomma kijken mensen altijd eerst naar de handen. “Dat zegt zo veel over iemands persoonlijkheid.” Ik hoop dat ze overdrijft. Dat zou namelijk betekenen dat ik de persoonlijkheid heb van een chaotische neuroot met een lichte neiging tot autokannibalisme. Ik ben een nagelbijter, al gaat het me vooral om de “vellekes” die na de afwas of een uitgebreid bad zo uitnodigend los komen te zitten. Hemels.

Omdat ik weet dat dat niet zo proper is en omdat ik eigenlijk ook wel graag bewonderenswaardige handjes wil die het daglicht mogen zien, probeer ik enkele keren per jaar mijn leven te beteren en te stoppen met bijten. Nu dus ook. Momenteel zit ik nog steeds in de “stompjesfase”. Wel was ik zelfzeker genoeg om me al een gamma aan kleurtjes aan te schaffen. Laat ons dus hopen dat ik mezelf in bedwang kan houden.

Helaas komt bij deze hele onderneming nog een andere uitdaging de kop opsteken; ik ben absoluut geen voorstander van “de gulden middenweg” en ik lijk er dan ook mijn levensmissie van te maken alles in extremen uit te voeren. Zo ook mijn nagelsituatie. Één keer liet ons bon me uit pure wanhoop gelnagels zetten. Zo van dat glasharde spul dat er onmogelijk zelf af te halen valt. Dacht zij, haha. Na amper 24 uur had ik het er volledig mee gehad en beet ik de ganse zooi er als een uitgehongerd dier weer af. Geen mooi zicht en wellicht ook niet heel gezond, maar ik liet me door een beetje manicure niet tegenhouden.

Enkele jaren geleden bevond ik mezelf bijkbaar eens in een periode waarin ik de zaakjes voor elkaar had en ik écht een mooi stel handen had. Ik voelde me zo fier. Zo in control. Tot mijn vrienden, die voordien steeds met een blik vol walging op mijn handen hadden geslagen wanneer ik “het weer eens deed”, me niet zo subtiel meldden dat ik op Edward Scissorhands begon te lijken. And not in a good way. Dat soort opmerkingen, in combinatie met wat (ongetwijfeld to-taal overbodig) drama en te veel tijd voor de televisie, zorgden ervoor dat ik brak en we terug bij af waren. Bedankt daarvoor, friends.

Ik heb ook ontdekt dat er wel degelijk een verband is tussen mijn stresslevel en het lot van mijn nagels. Helaas, volgens mijn huidige stresslevel heb ik binnenkort geen handen meer. Gelieve mij dus, voor het welzijn van mijn pollekes en zodat ons bomma eindelijk eens fier zou kunnen zijn op mij, niet meer zo veel stress te bezorgen. Ja, jij daar.

Beware of de egostudent

De examens zijn weer voorbij en iedere student heeft zich opnieuw van zijn beste kant laten zien. Heerlijk toch, die examenperiode. Geen enkele andere tijd van het jaar geeft zo nauwkeurig de ware aard van je medestudenten weer. En het is niet altijd proper. We overlopen enkele types waar iedereen al mee te maken kreeg. Wie ben jij?

De eerste (en kleinste) groep is die van ‘De voorbeeldstudent’. Dit type haalt goede cijfers, gaat altijd naar de les en is steeds bij de pinken. Is bovendien doorgaans aangenaam in de omgang en redelijk bereidwillig. De voorbeeldstudent respecteert de andere soorten studenten en laat iedereen in zijn waarde. Daarom is het van essentieel belang voor de leden van de andere types om een voorbeeldstudent als vriend te hebben. Koesteren die handel.

Vervolgens is er ‘De autodidact’. Zoals het woord al wel doet vermoeden, zie je hem of haar haast nooit in de les. Deze student heeft geen behoefte aan aula’s, colleges of contact met medestudenten en is voor de anderen dan ook eerder een mythe dan een volwaardig lid. Dit type heeft echter één enorme kwaliteit: zelfdiscipline. De autodidact wordt gedreven door een niet te beschrijven oerkracht en slaagt er zo in om, tot ieders verbazing, vrij goed op de hoogte te blijven en tijdig alle kennis te verwerken. Ook deze student is, ondanks zijn gebrek aan aanwezigheid, steeds bereid om te helpen waar nodig. Meestal blinkt de autodidact uit in het maken van samenvattingen die hij zonder problemen met de buitenwereld deelt. Een toppertje.

De ‘Lazy piece of shit’. Met deze student (als we hen zelfs zo kunnen noemen) valt letterlijk niets aan te vangen. Komt zo goed als nooit naar school, is een uitsteller eerste klas, maakt taken huilend een uur voor de deadline en begint nooit vroeger dan twee dagen (lees: de avond voordien) te blokken voor een examen. Dit is de autodidact, maar dan zonder discipline of realistisch tijdsbesef. De lazy piece of shit draagt (wegens geen tijd voor samenvattingen of notities) he-le-maal niets bij tot de groep. Behalve misschien wat humor en zelfrelativering, waar hij in overvloed over beschikt. De student bedoelt het heus wel goed, maar is gewoon oh zo lui. Zij die het langer dan het eerste jaar uithouden en uiteindelijk misschien zelfs hun diploma halen, doen dat door uitstekende last-minuteprestaties en met behulp van een paar beschermengels en vrienden uit de vorige twee categorieën. Samenvattingen zijn voor deze luie honden heilig. De lazy piece of shit is vooral ’s nachts te vinden en is dé grote bron van frustratie voor type vier.

Hoewel de beschrijvingen van de drie vorige soorten eerder vaag bleven en combinaties van verschillende types natuurlijk ook mogelijk zijn, is dat nu niet meer het geval. Over type vier valt niet te discussiëren. Terwijl de andere drie in harmonie met elkaar samenleven, is dat voor deze groep geen optie. De Salazar Slytherin onder de studenten, so to speak.

‘De egostudent’ gunt anderen om een of andere reden het licht in de ogen niet. Dit type lijkt onder de illusie te verkeren dat er maar één diploma om de vier jaar wordt uitgereikt en beschouwt dus iedere medestudent als rivaal. Deze scumbag is van mening dat studenten die niet naar de les komen, of naar hun mening die actief genoeg meewerken, een lagere score verdienen voor hetzelfde eindresultaat en in de mate van het mogelijke zelfs punten moeten verliezen, terwijl hij voor zijn voorbeeldige gedrag niet genoeg beloond kan worden. Een instelling die alleen maar het gevolg kan zijn van talloze frustraties die voortkomen uit een teleurstellend verloop van de eigen schoolcarrière. Deze studenten zijn van alles op de hoogte, maar zijn verblind door jaloezie en nijd tegenover iedereen die op een snellere, makkelijkere of gewoon andere manier zijn doel lijkt te bereiken en weigeren daarom alle vorm van collegialiteit.

Die weigerachtige houding uit zich op een sluwe, maar zó doorzichtige manier. Wanneer dit type om hulp wordt gevraagd, zal het namelijk niet eerlijk zijn en zeggen: “Nee, ik help je niet. Ik loop over van venijn omdat mijn eigen studies niet vlot genoeg verlopen en het feit dat jij het studentenleven anders of minder problematisch beleeft dan ik, doet mijn bloed koken. Ik laat dus nog liever al mijn tanden eruit slaan dan dat ik jou mijn samenvatting of notities geef. Fijne dag nog.” Nope, de egostudent komt op de proppen met een standaardformule als “Goh ja, ik zou wel willen, maar toevallig ging ik dit hoofdstuk nét zelf studeren”, “Jeetje, ik zie net dat ik die notities zelf niet nauwkeurig heb gemaakt” of “Wat jammer, ik heb geen doorstuurbare versie”. Welk excuus dan ook, dit onmens zal zichzelf keer op keer verraden door een blik die het uitschreeuwt van angst en verontwaardiging. Nochtans, wanneer de egostudent zich in een hulpbehoevende positie bevindt, zal hij de eerste zijn om beroep te doen op anderen.

Men zou zich de vraag kunnen stellen waarom iemand zich op die manier opstelt? Of waarom het in vredesnaam zou erg is wanneer medestudenten slagen door elkaars hulp, want dat dat toch niet nefast is voor het cijfer van de helper? Helaas lijken alle logica en menselijkheid de egostudent volledig te ontgaan en kunnen we ze dus best alleen maar vermijden en vooral nooit zelf dat type worden. Voor wie het al te laat is: I hope you burn in hell.