The wonderful world of Tinder – swipesituaties die iedereen herkent

Tinder (voor zij die nu al met de ogen draaien: hear me out here). Dé app voor iedereen die zich niet in een in-steen-gebeitelde-relatie bevindt. Op zoek gaan naar de liefde van je leven of een toffe hook-up was nog nooit zo eenvoudig. Het is makkelijk, het is hip, en vooral: het is gratis. Bovendien hoef je je voor een profiel op Tinder niet te schamen. Terwijl andere online datingsites nog steeds taboe zijn – niet geheel onterecht, wat voor arrogante dwaas moet je zijn om je aan te melden op ‘Elitedating: voor singles met niveau’? ­– is dit platform perfect aanvaard. Ideaal dus. Of toch niet?

Het hele zaakje blijft natuurlijk enorm oppervlakkig. Op basis van enkele foto’s en eventueel een witty tekstje, bepalen anderen jouw lot. Uiteraard heb je een zeer duidelijk beeld van hoe die ultieme match eruit moet zien en wie daar niet aan voldoet wordt dan ook zonder medelijden naar links gestuurd (de nee-kant, voor onervarenen). Zo werkt het nu eenmaal, maar dat is toch absoluut niet vergelijkbaar met de werkelijkheid? Veel van je vrienden zou je op Tinder naar links swipen wegens “niet mijn type mens”, terwijl dat dus in real life wél zo is. En er zijn toch altijd onfortuinlijke sweethearts die écht niet fotogeniek zijn? Op zich is dat allemaal niet zo erg, want Tinder werkt volgens het principe dat je enkel kan zien dat iemand jou liket, als je dat zelf ook doet. Ook dan pas kan er een gesprekje gestart worden. Zo kan je in alle rust iedereen beoordelen en word je niet aangesproken door iemand van wie jij denkt: “Hell naw”. Schaamteloos deelnemen aan de vleeskeuring. That’s the beauty of it.

Op aandringen van een vriendinnetje dat nogal euhm… actief was in de datingwereld, maakte ik ooit ook een profiel aan. To see what all the fuss was about. En of je nu fan bent of niet, het blijft een niet te missen ervaring. Enkele ongetwijfeld herkenbare Tindersituaties:

–          Je moet ongeveer 300 keer naar links swipen alvorens je iemand tegenkomt die naar rechts mag. Ondertussen begin je je ganse leven in vraag te stellen: is het nu echt zo ver moeten komen? Maar goed, we geven het een kans.

–          Één van de redenen waarom je Tindert, is de nood aan bevestiging. Weten dat je nog goed in de markt ligt. Maar let’s be real here: zelfs de mottigste trochel kan op Tinder erkenning krijgen, mits de juiste lichtinval. Het is dan ook niet bepaald strelend voor je ego wanneer iemand die jij echt nog wel oké vindt, niet terugliket.

–          Je komt op een foto met twee mensen terecht en denkt “Damn, die rechtse mag er best wezen, hopelijk is dat ook de eigenaar van dit profiel”. Maak je geen illusies: het is de linkse.

–          Jij en een onbekende Tindergebruiker hebben 43 gemeenschappelijke vrienden op Facebook en ze zijn totaal niet logisch: klasgenootjes van de Uni, kennissen uit Italië, collega’s, vrienden aan de andere kant van de wereld… Hoe zelfs?

–          Je bent al enkele minuten aan het swipen en bent al lang niet meer bij de les. Op automatische piloot maakt je duim aan recordtempo dezelfde beweging: links, links, links, links, lin….FUCK. Ja, ’t is gebeurd. Je hebt die ene perfecte dude en daarmee je enige kans op een lang en gelukkig leven weggeveegd. Als een gek google je hoe je op Tinder de tijd kan terugdraaien, maar neen. The damage has been done.

–          Akkoord, het is redelijk moeilijk om jezelf in enkele zinnen voor te stellen en dan kies je best voor een leuke quote of aanstekelijke oneliner, maar er zijn grenzen. “Waking up is the second hardest thing in the morning”? Okaaaaaaaay. Moving on.

–          Je komt een goede vriend tegen en weet niet wat te doen. Je vindt het wel grappig en bent geneigd om te liken voor de leut, maar misschien is de regel juist dat je moet doen alsof het nooit gebeurd is? Is hier een code voor?

–          Je hoopt van harte dat Tinder niet echt representatief is voor de mannelijke populatie. Badkamerselfies in bloot bovenlijf, kerels met wenkbrauwpiercing, overdreven gladde palingen en afgeborstelde modellen? Ugh.

–          Je stoot op een aardig uitziende jongeman. Leuke foto’s, tof tekstje, alleen… die naam. Ik kan ons bon echt niet vertellen dat ik date met iemand die Jean-Baptiste heet. Of Kenny. To the left, to the left.

–          Je bent het allemaal redelijk zat aan het worden omdat echt niemand hier je ook maar een beetje kan bekoren… tot dan opeens je voormalige crush voorbij komt. Oh holy fuck. Je gsm voelt plots aan als een handgranaat (wat doe ik hier in godsnaam mee) en je voelt je ongelooflijk bekeken. Dit is niet meer zo leutig. Want terwijl je jezelf al die tijd had ingepraat dat “hij er misschien gewoon nog niet aan toe was”, blijkt nu dat hij wél een gezonde interesse heeft in het andere geslacht, gewoon niet in jou. Autch.

–          Het wonder is geschied. Je hebt een match. Helaas, na twee minuten in het gesprek loopt het alweer mis. Alles voelt gewoon zo geforceerd. Get me outta here.

 

Iedere keer opnieuw moet ik vaststellen dat ik er gewoon niet voor gemaakt ben, voor dat hele daten. Ik walg van smooth talk, hou het meteen voor bekeken bij die doorzichtige praatjes, heb geen greintje gevoel voor flirten in mijn lijf, ben meteen geshockeerd en let’s face it: ik ga mijn true love heus niet tegenkomen op Tinder. Dat gezegd zijnde kan het natuurlijk geen kwaad om af en toe een beetje te swipen en wat rond te kijken. Neem het wel allemaal niet te serieus: je hebt kijken en je hebt kijken kijken.

pathetic.jpg

Advertenties

You can’t touch this

Zaterdagavond. Na een gezellig bezoekje aan vrienden ben ik te voet onderweg naar huis. Ik ben goed gezind want, hoewel het redelijk koud is, geniet ik best van zulke nachtelijke wandelingen. Ik loop vrolijk door de stad. Minding my own business. Van mijn goede humeur blijft helaas al snel niet veel meer over wanneer drie mannen mijn pad kruisen. Ze bekijken me van boven tot onder en beginnen naar me te roepen. Eentje heeft het over mijn borsten, zijn vriend eist dat ik met hen mee kom en de derde vindt dat ik eruit zie als een hoer. Er volgt nog wat woordenschat die ik niet eens wil neerschrijven. Totaal van de kaart ga ik zo snel mogelijk naar huis. Mijn eigenwaarde zit ongeveer tien meter onder de grond.

Enkele maanden geleden werd ik gevolgd. Opzettelijk was het eigenaardige type op dezelfde bus gestapt als ik. Hoewel het voertuig zo goed als leeg was, koos hij het stoeltje naast mij. Vervolgens was het overduidelijk zijn bedoeling om samen met mij af te stappen, waar dat dan ook mocht zijn. De buschauffeur had het gelukkig ook in de mot en raadde me aan te blijven zitten tot aan het einde van de rit. De vreemde figuur weigerde aanvankelijk de bus te verlaten zonder mij, maar werd eraf gezet. De chauffeur zette me een eindje verder af en vertelde me dat hij en zijn collega’s wekelijks getuige zijn van situaties als deze. Ik herhaal: op z’n minst wekelijks. Dat ik gedwongen word mijn reisweg aan te passen voor zo’n stuk onbenul, vind ik gewoonweg zum Kotzen.

Ik ben niet iemand die zich als vrouw snel benadeeld voelt in onze maatschappij. Ik kan best lachen met een “vrouwonvriendelijk” mopje en ik ben ervan overtuigd dat mannen door vrouwen óók geobjectiveerd worden. Wat ik niet kan verdragen, is dat ik door totaal onbekende lui zonder enige reden aan de imaginaire schandpaal word genageld. Wat geeft hen in godsnaam het recht?

Keer op keer vraag ik me af wat de bedoeling is van zulke praktijken. Ik kan alleen maar bedenken dat die figuren wanhopig het gevoel willen hebben dat ze eventjes over een klein beetje macht beschikken. Misschien zijn ze zelf redelijk onzeker en zoeken ze hun plekje binnen de samenleving? Misschien hebben ze het gevoel niet echt een identiteit te hebben en proberen ze zo die van anderen te ondermijnen? Misschien vervelen ze zich gewoon ontzettend, worden ze knettergek van iedere dag opnieuw doelloos door diezelfde straatjes te slenteren en doen ze alles om hun dagen wat op te leuken?

Het tragische is dat die mannen die woorden, die ze zo achteloos uitspuwden, twee straten verder alweer vergeten zijn. Terwijl ik wanneer ik thuis kom een stevig potje zit te huilen. Niet omdat ik me beledigd voel door de termen die ik naar mijn hoofd geslingerd kreeg – wat zo’n vortlap die het woord “vrouw” waarschijnlijk niet eens kan spellen van me denkt, laat me gelukkig nog redelijk koud. Nee, ik voel me slecht omdat zulk gedrag vandaag de dag bijna normaal lijkt geworden, omdat ik niet kan geloven dat iemand zo kan zijn en omdat ik me totaal machteloos voel. Graag was ik op hen afgestapt en had ik gevraagd wat in vredesnaam het probleem was, maar daarvoor was ik te hard van slag. Nog liever had ik terug willen roepen dat ze “zich mochten gaan aftrekken met een hand vol punaises” (niet mijn quote, helaas). Maar ik was met verstomming geslagen. Het liefst had ik hen nog allemaal een voenk op hun oog gegeven, maar als meisje dat nog nooit iemand geslagen heeft, was de kans dat ik zou zegevieren bijzonder klein. Dus deed ik niks en ben ik uiteindelijk vooral kwaad op mezelf. Ik voel me zwak, terwijl dat helemaal niet zou moeten. “We laten ons onze vrijheden niet ontnemen.” Ik hoor het ze graag zeggen, de wereldleiders, maar wanneer vriendinnen nauwelijks nog buiten durven komen, meisjes te horen krijgen dat ze “een armlengte afstand moeten houden” en ikzelf overweeg om me toch maar eens pepperspray aan te schaffen, vraag ik me af of het daar niet al lang te laat voor is.

Ook op vlak van fysiek contact lijken sommige mannen zichzelf zo begeerlijk te vinden dat wij als zwak, wanhopig meisje die kans toch niet aan ons voorbij kunnen laten gaan. Wie dat wel doet, is overdreven preuts. De zeldzame keren dat ik in Berlijn uitging, werd ik vreemd bekeken wanneer ik zei dat ik niet naar daar was gekomen om als sardienen in blik tegen één of andere mottige vent te staan schuren. “Jij bent hier, zonder gezelschap van een man? Dan wil je dat toch duidelijk wel?” What? En toen ik onlangs in de Qué Pasa was, probeerde een Nederlandse dude me de ganse avond…om het ranzig te zeggen…binnen te doen (te muilen, if you will. Al vind ik dat veruit het lelijkste woord van de afgelopen jaren. Ugh). Ik werd onpasselijk van het idee alleen al, maar keer op keer herhaalde hij dat dat toch allemaal geen probleem was, er was immers geen liefje in de buurt. Fuck, is het dan zo ondenkbaar dat ik dat zélf niet wil? Dat ik zélf die beslissing neem? Het lijkt misschien moeilijk te vatten, maar als ik bepoteld wilde worden door een hitsige Hollander, zat ik niet op vrijdagavond ‘Soldiers Of Love’ mee te brullen in een van de bekendste gay bars van ‘t stad. Just sayin’.

We moeten het maar niet zoeken, zeggen ze. We moeten niet te uitdagend gekleed gaan, we moeten veiligere wegen nemen en we moeten altijd in groep zijn. Laten we nu nog maar eens roepen, schreeuwen, in de gazetten drukken, op een t-shirt zetten of in de lucht schrijven dat niemand.dit.zoekt. Dit gebeurt niet omdat ik graag alleen ben. Dit gebeurt niet omdat ik te weinig kleren draag, of te veel. Dit gebeurt niet omdat ik vrij rond wil lopen in de stad waar ik woon. Als ik om drie uur ’s nachts alleen en poedelnaakt door de straten van Antwerpen wil huppelen en daarbij de Macarena wil dansen, dan zou dat moeten kunnen (al zijn er dan weer andere argumenten om dat niet te doen). Die droevige voorvallen gebeuren enkel en alleen omdat er mensen bestaan die niet in staat zijn om anderen in hun waarde te laten. Om voorbijgangers te laten passeren zonder de gefrustreerde rotzak uit te hangen. Om gewoon met hun poten van andermans lijf te blijven. En nee, ik weiger mij daaraan aan te passen. Vanaf het moment dat we dat doen, winnen zij. Dat gun ik die schurken echt niet.

 

82379-how-about-no-gif-Kurt-GLEE-N6Eq.gif

 

 

 

 

De strijd om de blauwe duimpjes: geven social media ons echt de bevestiging die we zoeken?

Perfecte lichtinval. Flatterende filter. Eyeliner on point. Ja hoor, deze foto wordt een hit op Instagram. Voor de zekerheid voorzien we hem nog van een hashtag of zestien – ieder woord dat ook maar in de verste verte gelinkt kan worden aan dit kiekje, wordt erbij gelapt. Dit wordt hem eindelijk: de post die ons eeuwige social mediaglorie zal opleveren. Fame, here we come… of ook niet. Groot is de teleurstelling wanneer de hartjes en follows na 48 uur nog steeds op één hand te tellen zijn. Terwijl andere Instagrammers na 40 minuten zowaar 534 likes hebben verzameld op een foto van wat zorgvuldig geschikte granen en blauwe bessen, lukt het hier amper om aan 11 liefhebbers te raken zodat die verdomde namen vervangen worden door een cijfertje (want ja, dat is belangrijk). The struggle is real.

Op naar Facebook dan. Hier geldt voornamelijk de regel: de grootste rotzooi is het populairst. Een doordachte post waar we fier op zijn, waar we van denken: “yes, dit is fire”? Vergeet het maar. Wat wél in de smaak valt, zijn dingen die we er zonder enig nadenken op hebben gezwierd. Een Starbucksbeker met fout geschreven naam, om maar iets te noemen. We zouden voor minder gefrustreerd worden. Maar waarom hechten we zo immens veel belang aan die duimpjes?

In dit tijdperk waar “defrienden” zowat het ergste is wat iemand ons kan aandoen, draait het allemaal om bevestiging. Die likes en comments boosten ons ego. Ze tonen aan hoe boeiend ons leven is, hoe knap we eruitzien of hoe geliefd onze witty status updates zijn. ’t Is te zeggen; hoe boeiend het leven van ons online alter-ego is. Want laat ons wel wezen: wat we prijsgeven op het internet, is verre van het volledige pakketje. De social mediaversie van onszelf is aanwezig op fancy events, ademt cultuur, is constant op trot met de squad en bestelt de meest sexy gerechtjes op restaurant. Dat we de overige avonden doorbrengen met de personages uit ‘Thuis’, dat we dat ene feestje hebben afgezegd omdat we écht geen zin hadden om ons haar te wassen en dat we ons voor de derde keer deze week hebben volgestoken met meeneemchinees… dat is minder van belang. Die duistere kant mag alleen geweten zijn door de échte amigos, de vertrouwenspersonen… de vrienden op Snapchat.

Met mijn 220 Facebookvrienden hou ik het nog relatief rustig. Ik heb het altijd vreemd gevonden hoe mensen “bevriend” zijn met iemand die ze overduidelijk niet moeten of van haar noch pluim kennen. Ik zou met iedereen met wie ik op Facebook vriendjes ben een praatje maken, moest ik ze tegen het lijf lopen. Of er op z’n minst een vriendelijk knikje tegenaan gooien. Klinkt logisch, maar dat is het niet voor iedere gebruiker. Ik kan de keren dat ik werd aangesproken over het feit dat ik een vriendschapsverzoek geweigerd had niet meer tellen. Ik dacht dat die term “verzoek” betekende dat ik zelf nog enigszins inspraak had in wie ik accepteerde en wie niet. My bad. En onlangs kreeg ik te horen dat ik twee kennissen nogal had geschoffeerd door hen te ontvolgen op Instagram. Ten eerste was er verbazingwekkend weinig tijd tussen mijn handeling en hun akelige ontdekking (eentje bleek een app te hebben die meteen meldt wanneer iemand ontvolgt… redelijk lame vind ik dat), ten tweede was ik me er totaal niet van bewust dat een beperkter en voor mij interessanter nieuwsoverzichtje willen, niet zonder gevolgen is. Sorrynotsorry.

Zelf probeer ik me steeds minder druk te maken om wat er op mijn schermpje gebeurt. Toegegeven, dat is niet evident. Enkele vrienden pleegden al “zelfmoord” op sociale media. Ze verwijderden dus hun accounts omdat ze vonden dat ze het hele wereldje niet zo goed meer konden relativeren. Dat is best moedig, want hoewel je dan wel ontsnapt aan heel wat schrijnende taferelen (de commentsectie op HLN, anyone?),  ben je ook een zeer belangrijk communicatiemiddel kwijt.

Sociale media geven ons het gevoel dat de wereld binnen handbereik ligt. We kunnen met iedereen moeiteloos in contact blijven en we zijn van alles op de hoogte. Anderzijds vergeten we daardoor vaak optimaal te genieten van het hier en nu. Iedereen kent ze wel: de concertgangers die het halve concert besteden aan het positioneren van hun iPhone en de andere helft aan het uploaden van het net genomen filmpje. Ik gruwel ervan, maar helaas ben ik geen haar beter. Toen ik afgelopen zomer op vakantie ging naar New York, betrapte ik mezelf erop dat ik soms eerder bezig was met het thuisfront op de hoogte te houden door middel van hippe posts, dan dat ik effectief genoot van de stad. Eigenlijk vind ik het best jammer dat ik zulke dingen niet 20 jaar geleden kon doen. Af en toe een telefoontje om moe en va te vertellen dat je nog niet gekidnapt bent, en klaar. Vandaag kan je aan het andere eind van de wereld zitten en toch iedere avond bij elkaar in de huiskamer zijn. Cosy, maar zo verdwijnt een groot deel van de charme die “er tussenuit gaan” met zich meebrengt. Ook tijdens mijn jaar abroad ben ik op die manier veel te hard bezig geweest met wat er thuis allemaal gebeurde, hoewel dat net was wat ik mezelf opgelegd had niet te doen. Sure, het was best handig dat ik niet te veel moest missen, maar dat ik op oudjaar in Berlijn liever binnen bleef om te Skypen, dat kan niet de bedoeling zijn geweest.

Be that as it may, ik ben nog steeds eerder pro dan contra. Zo heb ik enkele vrienden met wie ik nooit zo close zou zijn geworden zonder al die nachtelijke chatgesprekjes. En wie zou nu nog zonder Tumblr, Vine en 9GAG kunnen? Zolang we het allemaal niet te serieus nemen en er positief mee omgaan, is het best oké. Tenslotte is het wat er in real life gebeurt dat echt van belang is. Zonder flatterende filter.

 

Al zijn een paar likes mooi meegenomen, natuurlijk.

Sorry seems to be the hardest word

Enkele posts geleden had ik het over vriendschappen die op een pijnlijke manier eindigen. Omdat ik daar de afgelopen weken een beetje mee in mijn hoofd zat, besloot ik toenadering te zoeken tot één van die ex-best friends. Ik stelde een berichtje op waarin ik zei dat ik hoopte dat we na al die tijd de dingen iets meer konden relativeren. Ik vertelde dat ik besefte dat we beiden fouten hadden gemaakt, dat ik het jammer vond dat alles zo was gelopen en dat ik hoopte dat het hem goed ging. Uiteraard verwachtte ik geen sprookjesachtige verzoening, maar ik was ervan overtuigd dat we de dingen ondertussen vanuit een ander perspectief konden bekijken en dat we ooit misschien weer op een fatsoenlijke manier met elkaar konden omgaan. Hij antwoordde dat ik een egoïstische klootzak ben en dat ik blij mocht zijn dat hij het nog zo beleefd verwoordde, want dat hij geen vriendelijkere termen kon bedenken om mij mee te beschrijven. Okay…he sure can hold a grudge. Tot zover dat relativeren.

You pretentious piece of shit. Dat was mijn eerste reactie. Overmand door verontwaardiging en woede (serieus, hij sprak me aan met “gast”? Niet doen) was dat dan ook exact wat ik terugkaatste. Oeps. Ik voelde me redelijk vernederd, want tenslotte had ik een knieval gedaan en gedroeg hij zich als een soort van halfgod die niet kon geloven dat deze ordinaire sterveling hem probeerde te benaderen. Maar hoewel ik eerst spijt had van mijn bericht, bedacht ik me al snel dat ik niet degene was die zich slecht moest voelen. Ik was wel degelijk the bigger person geweest en hoewel hij wanhopig probeerde te laten blijken dat hij het verleden had losgelaten, kon ik uit zijn reactie alleen frustratie afleiden. Ondanks dat mijn vredesvoorstel niet bepaald positief onthaald werd, heb ik mijn best gedaan. En wat die ex-best friend betreft, wens ik hem en zijn haatdragende karakter het allerbeste toe.

Want dát is nu net de conclusie waar ik toe gekomen ben: ik koester geen wrok, tegenover niemand. Technisch bekeken zijn er een heleboel mensen waar ik boos op zou kunnen zijn: vrienden die me lieten staan, leerkrachten die zeiden dat ik nooit iets zou bereiken, ouders die vooral hun best deden om te tonen hoe het niet moet, interim-medewerkers die nooit terugbelden en jongens die mijn hart braken. Natuurlijk voelen we ons allemaal wel eens serieus in de zeik genomen. Het is dan ook perfect normaal om eventjes nijdig te zijn. Als ik een euro moest krijgen voor iedere keer dat ik iemand de cholera had toegewenst, zou ik oneindig lang zwemmen in het geld. Zulke woede-uitbarstingen worden echter gevoed door een gevoel van onmacht dat meestal even snel verdwijnt als het gekomen is. Dus, eens de gemoederen bedaard, ben ik volledig vrij van haatgevoelens. Het is best belangrijk om daarnaar te streven, vind ik. Ik ben ervan overtuigd dat, zolang je op wraak blijft zinnen, je niet verder kan. Hoewel woede je in eerste instantie een vals gevoel van macht kan geven (kwaad zijn is zooooveel makkelijker dan gekwetst zijn), helpt het je eigenlijk geen stap vooruit. Uiteindelijk is er nog maar één iemand die lijdt onder die rancune: jijzelf.

Vergeven doe je dus in de eerste plaats voor jezelf. Omdat je je er écht beter door voelt. Je kan het gedrag van anderen niet bepalen. Je kan niet altijd voorkomen dat iemand je onrecht aandoet. Wat je wél zelf kan kiezen, is in hoeverre je in die negatieve gevoelens blijft hangen. Maar goed, voor het hier op de rubriek van een of andere zweefteef begint te lijken: ik ben ook geen heilig bezeke. Ongetwijfeld heb ik zelf al een handjevol arme stakkers mateloos gefrustreerd en misschien hebben enkelen mij zelfs al de cholera toegewenst. Ik probeer het echt wel hoor; sorry zeggen. Maar verdekke, wat is dat toch moeilijk hé? Iemand je oprechte excuses aanbieden gaat hoe dan ook gepaard met een soort kwetsbaarheid en met het risico de laan te worden uitgestuurd. Hoe dan ook vind ik het zeker het proberen waard, al is het maar om met jezelf in het reine te komen.

Natuurlijk verwacht niemand dat je met iedereen die je ooit pijn hebt gedaan schoon schip gaat maken. Je hoeft je heus niet schuldig te voelen omdat je eens met iemands mislukte kapsel hebt zitten gniffelen. Bovendien is het vrijwel onmogelijk om over alles zomaar de spons te vegen. Sommige mensen hangen gewoon echt de foemp uit. In dat soort situaties probeer ik de neiging om asap de ultieme wraakactie op poten te zetten te onderdrukken en troost ik mezelf met de gedachte dat karma vroeg of laat haar werk wel zal doen. Ik weet niet of ik daar echt in geloof, maar ooit lachte ik een ietwat sullig klasgenootje uit omdat ze een gezwollen oog had en de volgende ochtend werd ik wakker met een drie-keer-zo-grote kastaar op mijn wezen. Geen grap.

Af en toe kunnen we jammer genoeg niet wachten op Miss Karma (ik stel me daar wel een vrouw bij voor, ja) en zijn we gewoon veel te pissed voor al die let-it-go-crap. Mijn vriendinnetje zag ooit op een feestje de jongen terug die op haar hartje had getrapt en ze plaste in zijn pint. Ja, dat is kinderachtig. Ja, dat is ranzig. Maar Oh My God, wat moet dat goed gevoeld hebben toen die etterbuil daarna zelfingenomen van zijn pilsje stond te nippen. Jah, we zijn natuurlijk ook maar mensen en iedereen sluit de zaken op een andere manier af. En soms, héél soms, is wraak gewoon té zoet om te laten liggen.

Bite me.

Volgens mijn bomma kijken mensen altijd eerst naar de handen. “Dat zegt zo veel over iemands persoonlijkheid.” Ik hoop dat ze overdrijft. Dat zou namelijk betekenen dat ik de persoonlijkheid heb van een chaotische neuroot met een lichte neiging tot autokannibalisme. Ik ben een nagelbijter, al gaat het me vooral om de “vellekes” die na de afwas of een uitgebreid bad zo uitnodigend los komen te zitten. Hemels.

Omdat ik weet dat dat niet zo proper is en omdat ik eigenlijk ook wel graag bewonderenswaardige handjes wil die het daglicht mogen zien, probeer ik enkele keren per jaar mijn leven te beteren en te stoppen met bijten. Nu dus ook. Momenteel zit ik nog steeds in de “stompjesfase”. Wel was ik zelfzeker genoeg om me al een gamma aan kleurtjes aan te schaffen. Laat ons dus hopen dat ik mezelf in bedwang kan houden.

Helaas komt bij deze hele onderneming nog een andere uitdaging de kop opsteken; ik ben absoluut geen voorstander van “de gulden middenweg” en ik lijk er dan ook mijn levensmissie van te maken alles in extremen uit te voeren. Zo ook mijn nagelsituatie. Één keer liet ons bon me uit pure wanhoop gelnagels zetten. Zo van dat glasharde spul dat er onmogelijk zelf af te halen valt. Dacht zij, haha. Na amper 24 uur had ik het er volledig mee gehad en beet ik de ganse zooi er als een uitgehongerd dier weer af. Geen mooi zicht en wellicht ook niet heel gezond, maar ik liet me door een beetje manicure niet tegenhouden.

Enkele jaren geleden bevond ik mezelf bijkbaar eens in een periode waarin ik de zaakjes voor elkaar had en ik écht een mooi stel handen had. Ik voelde me zo fier. Zo in control. Tot mijn vrienden, die voordien steeds met een blik vol walging op mijn handen hadden geslagen wanneer ik “het weer eens deed”, me niet zo subtiel meldden dat ik op Edward Scissorhands begon te lijken. And not in a good way. Dat soort opmerkingen, in combinatie met wat (ongetwijfeld to-taal overbodig) drama en te veel tijd voor de televisie, zorgden ervoor dat ik brak en we terug bij af waren. Bedankt daarvoor, friends.

Ik heb ook ontdekt dat er wel degelijk een verband is tussen mijn stresslevel en het lot van mijn nagels. Helaas, volgens mijn huidige stresslevel heb ik binnenkort geen handen meer. Gelieve mij dus, voor het welzijn van mijn pollekes en zodat ons bomma eindelijk eens fier zou kunnen zijn op mij, niet meer zo veel stress te bezorgen. Ja, jij daar.

“Go to a stripclub” they said

Omdat een reisje New York om onvergetelijke ervaringen vraagt, besluiten mijn reisgezel en ik om onze laatste avond door te brengen in een stripclub. Uiteraard had ik op voorhand de nodige research gedaan en de beste club van de stad uitgezocht. “De routines in ‘Magic Mike’ zijn klein bier in vergelijking met wat deze hunks presteren”, aldus de recensies. Oke, dit zou het worden. Na een telefoontje met de organisator, die het belang van op tijd komen voor de allerbeste plekjes benadrukte, kocht ik resoluut VIP-tickets. Entertainment, meezingnummers en (half)naakte Matthew McConaughey look-alikes? Bring.it.on.

Een tikkeltje zenuwachtig en vastberaden om de beste plaatsen te veroveren, komen mijn vriendin en ik ruim een uur op voorhand aan. Bestelbusje van de firma buiten, twee portiers en… geen volk. Vreemd, want had die man nu niet gezegd dat deze shows steeds tjokvol zaten? Enthousiast worden we begroet door een jongeheer met als schoeisel de beroemde en beruchte donkerblauwe “Adidasbadsloef”. Niet meteen mijn favoriete fashion statement, maar oke, ik ben niet gekomen om kritisch te zijn. Wanneer we zeggen dat we niet echt weten wat te verwachten, zegt hij zelfzeker: “Expect it all.” Nog steeds enthousiast worden we naar onze plaatsen gebracht die zich vlak aan het podium bevinden. Logisch, gezien de VIP-tickets, maar die grote opkomst waarvoor verwittigd werd, blijft toch nog uit. Twee mannen feliciteren ons met onze beslissing om op zondagavond te komen. “Op zaterdag is het madness! Tot wel 546 mensen!” Opnieuw vrij opmerkelijk, aangezien we op dat moment met niet meer dan vijf nieuwsgierige meisjes in het zaaltje zitten en de locatie door mijn vriendin terecht beschreven wordt als “de plaatselijke parochiezaal”.

Na een verhitte discussie over de prijs van de drankjes word ik door het personeel verplicht om het conflict zelf op te lossen. Op weg naar de badsloefman van weleer, stapelen de vragen zich stilaan op. Terwijl ik hem sta op te wachten, werp ik een blik op de reservatielijst van vanavond. Drie reservaties, inclusief de mijne. Verward vraag ik hoeveel leden er nog verwacht worden. Het antwoord krijg ik met een uitgestreken gezicht: twee meisjes, wat het eindtotaal op zeven brengt. Een enorm verschil met die 546 zogezegde leden van amper vierentwintig uur geleden. Tevergeefs probeert de medewerker me te sussen door te zeggen dat dit iets positiefs is, dat we op die manier optimaal kunnen genieten. “Dit is toch wel vrij pijnlijk”, merkt mijn vriendinnetje niet geheel onterecht op. Toch probeer ik haar -en mezelf- ervan te overtuigen dat het feest ieder moment zal losbarsten. De gedachte dat VIP-tickets helemaal niet nodig waren en dat we met de meest goedkope tickets exact dezelfde stoeltjes hadden gehad, verdring ik naar de achtergrond. Stoeltjes die de naam trouwens niet waardig zijn en die het meubilair in de feestzaal van Ursulinen Mechelen doen aanvoelen als freakin’ Chesterfields.

Enkele mannen komen zich voorstellen en leggen zonder schroom onze handen op hun tepels. Voor twintig Dollar kunnen we een lapdance krijgen, en even wordt mijn vriendin meegenomen voor een “privé-act”. Wanneer ze dat weigert en totaal ontzet terugkeert, begin ik echt wel te hopen dat de show gaat beginnen en dat de focus vanavond toch nog op dansen ligt. Ondertussen liggen mijn handen op de billen van een wildvreemde en niet eens zo knappe man. Ik ben me ervan bewust dat het type man dat ik aantrekkelijk vind en het type man dat met strippen de kost verdient wellicht niet hetzelfde is, maar toch. Na een tijdje wordt hij nijdig omdat ik hem geen geld toestop. Mijn compagnon en ik zijn zeker niet preuts, maar dit voelt toch zeer ongemakkelijk. Zo zonder introductie, zonder show, zonder sfeer, zonder volk.

Oke, het is zover. Een man gekleed in leder en voorzien van gitaar bestijgt het podium en spreekt het publiek toe al was hij een hoofdact in het Sportpaleis: “Make some noooooooise!” beveelt hij, zich schijnbaar niet bewust van het feit dat er vijf man in de zaal zit. Nummer zes en zeven, zo wordt stilaan pijnlijk duidelijk, komen niet meer opdagen. De man raadt ons aan niet te hevig recht te staan om niet “cock-eyed” te worden. Actual words. Het is op dit moment dat ik de wanhoop in mijn vriendins ogen voor het eerst opmerk. “Gladys, hier is helemaal geen sfeer en er is nog helemaal niet gedanst en we worden hier betast? Eigenlijk wil ik naar huis.” Toegegeven, ik had me bij een “dansshow” ook eerder een rijtje mannen in regenjassen en met paraplu’s voorgesteld die zich in één ruk van hun outfit zouden ontdoen op de legendarische beats van ‘It’s raining men’, maar dat komt misschien nog? Al begint het hier eigenlijk steeds meer op een slecht georganiseerd bordeel te lijken…

Het absolute dieptepunt komt wanneer de host er de gastenlijst (al is “lijst” misschien wat overdreven) bijhaalt en een stoel op het podium zet. Het gevoel dat ik op dit moment ervaar, kan het best vergeleken worden met de zenuwslopende minuut waarin je weet dat de middelbare schoolleerkracht op het punt staat iemand aan te duiden om een spreekbeurt te geven die eigenlijk niemand heeft gemaakt. Met opengesperde ogen bid ik tot alles wat me dierbaar is dat onze namen niet worden afgeroepen.

Thank God. De eer is aan het meisje naast ons, die er ook niet meteen overdreven enthousiast uitziet wanneer ze plaatsneemt in de ‘Hotchair’. De host deelt luchtig mee dat iedereen aan de beurt komt. Shit. Je bent echter wel verplicht dollarbriefjes mee te brengen naar de stoel. Die mag je dan “overal steken waar je wil dat zij het uit komen halen.” Shit. Wanhopig kijk ik opzij, maar wat ik daar zie, is nog veel erger. Een van de aanwezige dames en een medewerker staan bronstig te dry humpen tegen het amateuristische decor. Shit shit shit. Ik wil mezelf niet afvragen hoeveel dat vrouwtje voor dit tafereel moet neertellen. Ik voel dat alle kleur mijn gezicht verlaten heeft en zie dat ook mijn metgezel alle levenszin verliest. Nogmaals vraagt ze mij of we alsjeblief naar huis kunnen, maar ik kan geen woord meer uitbrengen. Het idee de volgende te zijn die het podium op moet, maakt ons misselijk.

Wanneer het slachtoffer op de Hotchair getrakteerd wordt op de eerste dansact, heb ik het laatste greintje hoop op een degelijke show al lang laten varen. Hoewel het op dit punt onmogelijk lijkt nog meer teleurgesteld te kunnen worden, gebeurt dat toch. Drie ronduit spauwlelijke mannen komen het podium op in iets wat lijkt op een verfrommelde pyjama. Het moet een matrozenpak voorstellen. Verkrampt beginnen ze een dansje waarbij ze elkaar moeten observeren om zich de moves te herinneren. Ze schuren op de meest traumatiserende wijzes tegen het meisje aan. Ik heb me nog nooit zo beschaamd en gedwongen gevoeld. Hoe kan dit in vredesnaam dezelfde show zijn die wordt opgevoerd voor vijfhonderd mensen? Hoe kan dit dezelfde ervaring zijn waar mensen vol lof over schrijven? Het lijkt alsof de organisatoren bij het gebrek aan publiek gewoon de volledige show hebben geschrapt en ons van zo veel mogelijk geld willen beroven. Ik besef dat het nu of nooit is en geef gehoor aan de smeekbedes van mijn vriendin. Zo subtiel mogelijk verzamel ik mijn spullen, alsof er effectief een kans bestaat dat veertig procent van het publiek onopvallend naar buiten kan hollen. We halen diep adem, staan recht, negeren de verontwaardigde “You’re leaving?!” van het personeel en banen ons een weg uit deze martelkamer. Even denk ik aan de meisjes die met z’n drieën (!) overblijven, maar nu is het ieder voor zich.

We dwalen door de straten van New York City. We lachen. We zwijgen. We proberen dit een plaats te geven. Uiteindelijk spenderen we onze laatste avond in de Irish Pub. Omdat een liter Guinness mij tenminste nog nooit ongevraagd heeft bepoteld.