Wat boeken en films me leerden over de liefde

Als je mij zou vragen met welk boek- of filmpersonage ik mezelf het meest vereenzelvig, is dat zonder twijfel Helen Fieldings Bridget Jones. Ik lijk niet alleen met die mening, want toen ik onlangs vertelde dat ik ‘Bridget Jones’s Baby’ was gaan kijken (aanrader!), kreeg ik nog maar eens een paar keer “Oh, ja, die doet me wel aan jou denken!” te horen.

Wanneer ik de boeken lees, denk ik de hele tijd “God, dat ben ik” en ook de film was opnieuw pijnlijk herkenbaar.
*SPOILER ALERT*
Zo komt er in de film een scène waar Bridget haar 43e verjaardag wil vieren en haar beste vrienden afbellen. De babysit komt niet opdagen, de baby is ziek…. Gelukkig is er nog de gay best friend. Tot die aankondigt dat ook hij babyplannen heeft. Ik kon niets anders denken dan: “Damn, dit is mijn leven over enkele jaren.” Al is er tussen Bridgets leven en het mijne wel één groot verschil: Mr Darcy.

Dat brengt ons bij de volgende gebeurtenis van de afgelopen week. Voor Engels kreeg ik de opdracht om een essay te schrijven met als onderwerp “What literature taught me about love”. Interessante vraag. Wat heeft literatuur me over de liefde geleerd? Eerst en vooral: dat schrijvers van liefdesverhalen ongelooflijke sadisten zijn. Die conclusie trek ik graag verder door naar makers van films of televisieseries. Er is toch een door en door slechte ziel voor nodig om zulke overdreven knappe, loyale, grappige en oprechte personages op papier of op het scherm tot leven te brengen, wetende dat geen enkele lezer of kijker ooit in contact zal komen met iets wat daar nog maar in de verste verte op lijkt? Resultaat is dat we onze eisen uiteindelijk zó hoog gaan leggen dat in real life niemand daaraan voldoet. Ik ben bovendien een beetje misnoegd dat zelfs Bridget, mijn televisie-soul sister, uiteindelijk voor het ideale huisje-boompje-kindje-patroon is bezweken. “As a writer, I’m a fan of the happy ending.” Well thank you, Helen Fielding.

Ik wil niet donker of cynisch klinken. Ik wéét dat zulke happy endings en hippy-dippy-true-love-things niet voor iedereen zijn weggelegd en ik vind dat prima. Ik ben perfect gelukkig zonder persoonlijke Colin Firth. Ik kan me best vinden in het toekomstbeeld van mezelf als meter van enkele snoezige baby’s die ik op het einde van de dag gewoon weer bij hun uitgeputte ouders kan achterlaten, waarna ik in alle rust een flesje wijn kraak en het intussen 28e seizoen van Grey’s Antomy binge-watch. Maar hoe komt het dan dat ik, samen met zo veel andere zelfverklaarde onafhankelijke happy singles, nog steeds zo’n sucker ben voor een romantisch boek of een film met sprookjesachtige plot?

Want da’s het ding. Hoewel ik zó goed weet dat die verhalen compleet onrealistisch zijn, grijp ik nog steeds iedere kans om te lezen over hoe twee mensen verliefd worden, schreeuw ik naar mijn boek of televisie wanneer de protagonisten te blind zijn om zich hun undying love voor elkaar te realiseren en huil ik als een klein kind wanneer ze dat uiteindelijk wel doen. En hoewel ik “in ’t echt” de eerste ben om commentaar te leveren op koppels en hun public displays of affection, kan het me in de wereld van de fictie allemaal niet zoetjes genoeg zijn. Meer nog: dan erger ik me zelfs aan de nevenpersonages die zich durven storen aan het melige gedoe. They’re in love, cut them some slack, goddammit!

Het succes van liefdesverhalen in boeken en films zit ‘m enerzijds natuurlijk in escapisme -eventjes ontsnappen uit de nare werkelijkheid en onszelf onderdompelen in een totaal andere wereld- en anderzijds in het feit dat die romannekes ons hoop geven. Of die hoop nu vals is of niet, we krijgen graag af en toe de “bevestiging” dat het wél allemaal echt kan. Dat we wél nog moeten geloven in sprookjesachtige taferelen, want kijk, bij onze favoriete personages kan het ook! Misschien is dat dan ook het belangrijkste wat literatuur me kan leren: dat we nooit genoegen moeten nemen met minder dan die alles-overwinnende onvoorwaardelijke liefde waar we zo graag over lezen. Want als we ons in de bioscoop of de boekhandel niet tevreden stellen met minder dan het beste, waarom zouden we dat in real life dan doen?

Daarom maak ik me absoluut geen zorgen om mijn “bijna-vierentwintig-en-nog-steeds-single” status. Komt het er binnenkort van? Prima. Komt het er niet van? Ook prima. Ik heb nog een hele boekenkast om me bezig te houden.

Love,

G.X

 

 

 

 

Advertenties

The wonderful world of Tinder – swipesituaties die iedereen herkent

Tinder (voor zij die nu al met de ogen draaien: hear me out here). Dé app voor iedereen die zich niet in een in-steen-gebeitelde-relatie bevindt. Op zoek gaan naar de liefde van je leven of een toffe hook-up was nog nooit zo eenvoudig. Het is makkelijk, het is hip, en vooral: het is gratis. Bovendien hoef je je voor een profiel op Tinder niet te schamen. Terwijl andere online datingsites nog steeds taboe zijn – niet geheel onterecht, wat voor arrogante dwaas moet je zijn om je aan te melden op ‘Elitedating: voor singles met niveau’? ­– is dit platform perfect aanvaard. Ideaal dus. Of toch niet?

Het hele zaakje blijft natuurlijk enorm oppervlakkig. Op basis van enkele foto’s en eventueel een witty tekstje, bepalen anderen jouw lot. Uiteraard heb je een zeer duidelijk beeld van hoe die ultieme match eruit moet zien en wie daar niet aan voldoet wordt dan ook zonder medelijden naar links gestuurd (de nee-kant, voor onervarenen). Zo werkt het nu eenmaal, maar dat is toch absoluut niet vergelijkbaar met de werkelijkheid? Veel van je vrienden zou je op Tinder naar links swipen wegens “niet mijn type mens”, terwijl dat dus in real life wél zo is. En er zijn toch altijd onfortuinlijke sweethearts die écht niet fotogeniek zijn? Op zich is dat allemaal niet zo erg, want Tinder werkt volgens het principe dat je enkel kan zien dat iemand jou liket, als je dat zelf ook doet. Ook dan pas kan er een gesprekje gestart worden. Zo kan je in alle rust iedereen beoordelen en word je niet aangesproken door iemand van wie jij denkt: “Hell naw”. Schaamteloos deelnemen aan de vleeskeuring. That’s the beauty of it.

Op aandringen van een vriendinnetje dat nogal euhm… actief was in de datingwereld, maakte ik ooit ook een profiel aan. To see what all the fuss was about. En of je nu fan bent of niet, het blijft een niet te missen ervaring. Enkele ongetwijfeld herkenbare Tindersituaties:

–          Je moet ongeveer 300 keer naar links swipen alvorens je iemand tegenkomt die naar rechts mag. Ondertussen begin je je ganse leven in vraag te stellen: is het nu echt zo ver moeten komen? Maar goed, we geven het een kans.

–          Één van de redenen waarom je Tindert, is de nood aan bevestiging. Weten dat je nog goed in de markt ligt. Maar let’s be real here: zelfs de mottigste trochel kan op Tinder erkenning krijgen, mits de juiste lichtinval. Het is dan ook niet bepaald strelend voor je ego wanneer iemand die jij echt nog wel oké vindt, niet terugliket.

–          Je komt op een foto met twee mensen terecht en denkt “Damn, die rechtse mag er best wezen, hopelijk is dat ook de eigenaar van dit profiel”. Maak je geen illusies: het is de linkse.

–          Jij en een onbekende Tindergebruiker hebben 43 gemeenschappelijke vrienden op Facebook en ze zijn totaal niet logisch: klasgenootjes van de Uni, kennissen uit Italië, collega’s, vrienden aan de andere kant van de wereld… Hoe zelfs?

–          Je bent al enkele minuten aan het swipen en bent al lang niet meer bij de les. Op automatische piloot maakt je duim aan recordtempo dezelfde beweging: links, links, links, links, lin….FUCK. Ja, ’t is gebeurd. Je hebt die ene perfecte dude en daarmee je enige kans op een lang en gelukkig leven weggeveegd. Als een gek google je hoe je op Tinder de tijd kan terugdraaien, maar neen. The damage has been done.

–          Akkoord, het is redelijk moeilijk om jezelf in enkele zinnen voor te stellen en dan kies je best voor een leuke quote of aanstekelijke oneliner, maar er zijn grenzen. “Waking up is the second hardest thing in the morning”? Okaaaaaaaay. Moving on.

–          Je komt een goede vriend tegen en weet niet wat te doen. Je vindt het wel grappig en bent geneigd om te liken voor de leut, maar misschien is de regel juist dat je moet doen alsof het nooit gebeurd is? Is hier een code voor?

–          Je hoopt van harte dat Tinder niet echt representatief is voor de mannelijke populatie. Badkamerselfies in bloot bovenlijf, kerels met wenkbrauwpiercing, overdreven gladde palingen en afgeborstelde modellen? Ugh.

–          Je stoot op een aardig uitziende jongeman. Leuke foto’s, tof tekstje, alleen… die naam. Ik kan ons bon echt niet vertellen dat ik date met iemand die Jean-Baptiste heet. Of Kenny. To the left, to the left.

–          Je bent het allemaal redelijk zat aan het worden omdat echt niemand hier je ook maar een beetje kan bekoren… tot dan opeens je voormalige crush voorbij komt. Oh holy fuck. Je gsm voelt plots aan als een handgranaat (wat doe ik hier in godsnaam mee) en je voelt je ongelooflijk bekeken. Dit is niet meer zo leutig. Want terwijl je jezelf al die tijd had ingepraat dat “hij er misschien gewoon nog niet aan toe was”, blijkt nu dat hij wél een gezonde interesse heeft in het andere geslacht, gewoon niet in jou. Autch.

–          Het wonder is geschied. Je hebt een match. Helaas, na twee minuten in het gesprek loopt het alweer mis. Alles voelt gewoon zo geforceerd. Get me outta here.

 

Iedere keer opnieuw moet ik vaststellen dat ik er gewoon niet voor gemaakt ben, voor dat hele daten. Ik walg van smooth talk, hou het meteen voor bekeken bij die doorzichtige praatjes, heb geen greintje gevoel voor flirten in mijn lijf, ben meteen geshockeerd en let’s face it: ik ga mijn true love heus niet tegenkomen op Tinder. Dat gezegd zijnde kan het natuurlijk geen kwaad om af en toe een beetje te swipen en wat rond te kijken. Neem het wel allemaal niet te serieus: je hebt kijken en je hebt kijken kijken.

pathetic.jpg

friENDship

Met iemand aan het praten zijn en denken: “Eigenlijk vind ik jou helemaal niet meer zo leuk”. Of, nog minder aangenaam, merken dat jij bij een vriend of vriendin niet meer in die bovenste schuif ligt. Herkenbaar? Sowieso.

Hoe langer hoe meer merk ik dat mijn leeftijdsgenoten en ik onze vrienden zorgvuldig sorteren. Natuurlijk zijn er tientallen ex-klasgenootjes en kennissen met wie we nog eens zouden willen bijpraten, maar dat contact beperkt zich meestal tot die “We moeten nog eens afspreken”-dialoogjes waarbij beide partijen op het moment zelf al weten dat dat in geen honderd jaar gebeuren gaat. Uiteindelijk zijn het dus steeds dezelfde friends die we op regelmatige basis zien en voor wie we effectief moeite willen doen. Hoe ouder we worden en hoe meer verantwoordelijkheden onze kant op komen, hoe kleiner dat groepje wordt. Een normaal fenomeen en helemaal niet zo erg. Tenminste, zolang jij niet degene bent die aan de kant wordt geschoven.

Ik vind het ongelooflijk vreemd hoe vriendschappen soms gewoon in slaap sukkelen. Eerst ben je thick as thieves en kan je je niet voorstellen dat er ooit een moment komt waarop jullie niet langer onvoorwaardelijk stapelgek zijn op elkaar. Je gaat die vriend uiteraard nooit beu worden want dit.is.voor.altijd. En dan plots…boef. Gedaan. Opeens is het er gewoon niet meer. Terwijl je vroeger de uren zat af te tellen tot die bepaalde best friend je zou verblijden met zijn of haar gezelschap, voelt een uitje onder jullie beiden nu eerder als een vervelende opdracht, een soort van verplichting tegenover de vroegere, leukere versie van de vriendschap. En terwijl je tot over niet zo’n erg lange tijd niet kon stoppen met hem of haar de oren van het hoofd te kakelen en dan nog steeds honderd dingen te weinig gezegd had, zit je nu in alle hoeken van je brein te graven naar een anekdote die de pijnlijke stilte tussen jullie zou kunnen doorbreken. Een verklaring voor deze tragische ommezwaai is meestal niet eenvoudig te vinden. Is het die vriend die veranderd is? Ben jij het? Één ding is zeker: het werkt niet meer.

Wanneer een vriendschap die ooit zo enorm veel betekende op z’n einde loopt, is dat messy. Zoals talloze melige Instagram- en Pinterestquotes keer op keer verkondigen: “Niets doet meer pijn dan niet hetzelfde voor iemand betekenen als die persoon voor jou betekent.” Dat is natuurlijk het hele probleem; het gebeurt zelden dat beide vrienden op exact hetzelfde moment hun interesse in elkaar verliezen. De klap komt dus onvermijdelijk harder aan voor diegene die nog wél in de relatie wilde investeren.

Maar of je nu zelf met (of zonder) pijn in het hart de zaken beëindigd hebt of degene bent die met een gekwetst ego achterblijft: You’ll get over it. Zelf bevond ik me al meermaals aan beide kanten. Toen mijn beste vriend – en “stiekem” mijn allereerste en allergrootste crush – op een dag de benen nam en met de noorderzon verdween, kon ik dat maar moeilijk geloven. Ik kon nauwelijks leven met het idee dat ik vanaf die dag nooit meer zou weten hoe het met hem ging. Ondertussen is de motherfucker al ettelijke jaren verschwunden en heb ik het er – op enkele barstjes na – best goed vanaf gebracht. Daarna volgde dan die bff met wie ik vrijwel meteen een duo vormde dat even onafscheidelijk was als Elton John en mottige zonnebrillen. Nog nooit had ik me met iemand zó verbonden gevoeld en ik wist zeker dat dit mijn soulmate for life was. Enige tijd later stond ik op het perron te bidden dat hij niet dezelfde trein moest nemen als ik omdat ik de energie niet meer kon vinden om een volledige rit met hem door te brengen. Na enkele rake verwijten van beide kanten stierf de vriendschap een stille dood. Tragisch, maar ook dat ligt ondertussen achter me. Al kan ik nog steeds niet naar ‘Will & Grace’ kijken.

Moraal van het verhaal is dat we ons over zoiets niet schuldig hoeven te voelen. Het is normaal dat vrienden komen en gaan en dat sommige mensen ons gewoon niet meer boeien. Sure, de vriendschap kan in een dipje zitten en dat hoeft zeker niet het einde te betekenen, maar als de zestiende poging tot een gezellig samenzijn nog steeds even gezellig aanvoelt als een gynaecologisch onderzoek, zou er toch stilaan een belletje moeten gaan rinkelen. Of om het nog eens te zeggen met een sentimentele Instagramquote: “Het leven is te kort om dingen te doen waar je niet gelukkig van wordt.”

Om met een positieve noot af te ronden toch even een shout-out voor mijn friends die na nog steeds hun bangelijke zelf zijn en mij tot op heden ook nog niet ditchten. Dankzij jullie, lieve zonnestraaltjes, geloof ik nog steeds dat het soms wél voor.altijd.is.

Het wij-koppel (serieus, wees niet dat koppel)

(Elke gelijkenis met bestaande koppels berust op louter opzet)

Tijdens een nachtelijk gesprek waarin ik nog maar eens mijn frustraties op haar losliet, stelde mijn vriendin voor om er een stukje over te schrijven. Zo gezegd zo gedaan: een blogpost over een ergerlijk en oh zo fascinerend fenomeen. Het is verantwoordelijk voor ontelbare (vriendschaps)breuken en drama’s, en toch blijft het vrolijk slachtoffers maken: het clubje van de ‘wij-koppels’.

Ja, clubje. Want dit soort koppel beschikt over een lidkaart tot een elitefeestje waar de gewone mens niet naartoe mag. Toen ik vorig jaar triest was omdat ik mijn verjaardag uitgebreid had willen vieren en alle genodigden belachelijk vroeg naar huis waren om tijd met hun wederhelft te spenderen, meldde een verliefde vriendin droogjes dat ik “stilaan toch moest gaan beseffen dat mensen in een relatie verder gaan met hun leven en dat ik dat daar als niet-in-een-relatie-zijnde niet bij kon horen”. Ik kon wel huilen. Ik was toch niet degene die veranderd was? Is het zo ongelooflijk veel moeite om één avond op het jaar tijd te maken? Ondertussen is deze friend weer single en kan ze zich maar moeilijk voorstellen dat ze ooit zoiets gruwelijks heeft gezegd, maar dat is nu precies het gekke: hoe kan de verandering naar een relatie iemand zo verblinden?

Ik ben geen verbitterde hater van alle liefdesdingetjes. Ik spendeer graag tijd met koppels die hun ‘public display of affection’ tot het minimum beperken, ik ben blij wanneer mijn vrienden gelukkig zijn met hun lovers en ik heb absoluut geen bezwaren tegen Valentijn. Het moet echter van twee kanten komen. Waarom is het dan voor velen geen optie om een aangenaam koppel te zijn dat niemand stoort, maar moet die relatie zodanig tentoongespreid worden dat het zowat alle singletons instant mottig maakt?

Leden van wij-koppels zijn makkelijk te herkennen. (Voor degenen die zo niemand kennen: it’s probably you.) Eerst en vooral zijn het gegarandeerd zij die altijd beweerden dat ze nooit lid zouden worden van een wij-koppel. Hoewel kusfoto’s op sociale media vroeger hun nekharen overeind deden komen, doen ze er nu vrolijk aan mee, inclusief stroperig tekstje waar niemand (nee, echt niemand) boodschap aan heeft. Wachtwoorden die voorheen persoonlijk waren, worden vrolijk uitgewisseld onder de partners. Gewoon, omdat het kan. De vrienden die vroeger vol walging spraken over mensen die geen paar dagen zonder elkaar konden, vormen nu een onafscheidelijk geheel met hun hartendiefjes. Als goeie vriendin zit er dan weinig anders op dan het hele gebeuren te incasseren en te aanvaarden dat uitjes met die vrienden niet meer zullen zijn wat ze ooit waren. In de meeste gevallen gaat de +1 gewoon lekker mee. Waarom ook niet? Met heel wat geluk is de vriend of vriendin in kwestie wel zo correct om eerst te checken of de aanwezigheid van het lief gewenst is, maar eigenlijk weet iedereen dat “Ooh natuurlijk, super!” het enige aanvaardbare antwoord is. Resultaat is een etentje waarbij het koppel in elkaars ogen staart of elkaar begint op te peuzelen. Een halve minuut op de klok, een eeuwigheid voor de single friend die wanhopig naar overal probeert te kijken behalve naar daar en die uiteindelijk over de ganse avond het meeste interactie heeft gehad met een fles Chardonnay.

Dan is er nog dé standaardquote die door wij-koppels fier verkondigd wordt wanneer een buitenstaander hen op hun gedrag wijst. Het antwoord op alles en het sterkste argument om hun plotse metamorfose te verdedigen: “Wacht maar tot jij met iemand samen bent, dan doe je net hetzelfde. Hoho, dan gaan we wat zien.” Nog maar net die facebookstatus aangepast naar “in een relatie” en plotseling expert ter zake. Dé ideale persoon om die onwetende vrijgezelle vrienden te vertellen hoe het er bij ‘de grote mensen’ aan toegaat. Wel, dat denk ik niet. Aangezien ik zelf geen flauw idee heb hoe ik me zal gedragen wanneer ik een wilde weldoener vind die tijd met mij wil doorbrengen, heb ik aan dergelijke voorspellingen geen boodschap. Ik zeg wel dit: als ik effectief ooit zo iemand dreig te worden, help me dan. Desnoods met geweld.

Mijn omgeving leerde me ook al dat het voor die smartasses wel eens pijnlijk kan worden eens die romantische bubbel doorprikt is en het duo van weleer opnieuw twee individuen zijn die hun plekje bij hun verwaarloosde vrienden moeten terugverdienen. Ik stel dus voor dat we gewoon allemaal hopeloos en holderdebolder verliefd worden, maar dan zonder vanop dat roze wolkje dingen te roepen die anderen naar tissues en Cookie Dough doen grijpen.

(Natuurlijk zijn er ook toffe, oprecht schattige koppels die elkaars slokdarm onaangeroerd laten wanneer ze in gezelschap zijn. Bedankt daarvoor. You rock.)

“Go to a stripclub” they said

Omdat een reisje New York om onvergetelijke ervaringen vraagt, besluiten mijn reisgezel en ik om onze laatste avond door te brengen in een stripclub. Uiteraard had ik op voorhand de nodige research gedaan en de beste club van de stad uitgezocht. “De routines in ‘Magic Mike’ zijn klein bier in vergelijking met wat deze hunks presteren”, aldus de recensies. Oke, dit zou het worden. Na een telefoontje met de organisator, die het belang van op tijd komen voor de allerbeste plekjes benadrukte, kocht ik resoluut VIP-tickets. Entertainment, meezingnummers en (half)naakte Matthew McConaughey look-alikes? Bring.it.on.

Een tikkeltje zenuwachtig en vastberaden om de beste plaatsen te veroveren, komen mijn vriendin en ik ruim een uur op voorhand aan. Bestelbusje van de firma buiten, twee portiers en… geen volk. Vreemd, want had die man nu niet gezegd dat deze shows steeds tjokvol zaten? Enthousiast worden we begroet door een jongeheer met als schoeisel de beroemde en beruchte donkerblauwe “Adidasbadsloef”. Niet meteen mijn favoriete fashion statement, maar oke, ik ben niet gekomen om kritisch te zijn. Wanneer we zeggen dat we niet echt weten wat te verwachten, zegt hij zelfzeker: “Expect it all.” Nog steeds enthousiast worden we naar onze plaatsen gebracht die zich vlak aan het podium bevinden. Logisch, gezien de VIP-tickets, maar die grote opkomst waarvoor verwittigd werd, blijft toch nog uit. Twee mannen feliciteren ons met onze beslissing om op zondagavond te komen. “Op zaterdag is het madness! Tot wel 546 mensen!” Opnieuw vrij opmerkelijk, aangezien we op dat moment met niet meer dan vijf nieuwsgierige meisjes in het zaaltje zitten en de locatie door mijn vriendin terecht beschreven wordt als “de plaatselijke parochiezaal”.

Na een verhitte discussie over de prijs van de drankjes word ik door het personeel verplicht om het conflict zelf op te lossen. Op weg naar de badsloefman van weleer, stapelen de vragen zich stilaan op. Terwijl ik hem sta op te wachten, werp ik een blik op de reservatielijst van vanavond. Drie reservaties, inclusief de mijne. Verward vraag ik hoeveel leden er nog verwacht worden. Het antwoord krijg ik met een uitgestreken gezicht: twee meisjes, wat het eindtotaal op zeven brengt. Een enorm verschil met die 546 zogezegde leden van amper vierentwintig uur geleden. Tevergeefs probeert de medewerker me te sussen door te zeggen dat dit iets positiefs is, dat we op die manier optimaal kunnen genieten. “Dit is toch wel vrij pijnlijk”, merkt mijn vriendinnetje niet geheel onterecht op. Toch probeer ik haar -en mezelf- ervan te overtuigen dat het feest ieder moment zal losbarsten. De gedachte dat VIP-tickets helemaal niet nodig waren en dat we met de meest goedkope tickets exact dezelfde stoeltjes hadden gehad, verdring ik naar de achtergrond. Stoeltjes die de naam trouwens niet waardig zijn en die het meubilair in de feestzaal van Ursulinen Mechelen doen aanvoelen als freakin’ Chesterfields.

Enkele mannen komen zich voorstellen en leggen zonder schroom onze handen op hun tepels. Voor twintig Dollar kunnen we een lapdance krijgen, en even wordt mijn vriendin meegenomen voor een “privé-act”. Wanneer ze dat weigert en totaal ontzet terugkeert, begin ik echt wel te hopen dat de show gaat beginnen en dat de focus vanavond toch nog op dansen ligt. Ondertussen liggen mijn handen op de billen van een wildvreemde en niet eens zo knappe man. Ik ben me ervan bewust dat het type man dat ik aantrekkelijk vind en het type man dat met strippen de kost verdient wellicht niet hetzelfde is, maar toch. Na een tijdje wordt hij nijdig omdat ik hem geen geld toestop. Mijn compagnon en ik zijn zeker niet preuts, maar dit voelt toch zeer ongemakkelijk. Zo zonder introductie, zonder show, zonder sfeer, zonder volk.

Oke, het is zover. Een man gekleed in leder en voorzien van gitaar bestijgt het podium en spreekt het publiek toe al was hij een hoofdact in het Sportpaleis: “Make some noooooooise!” beveelt hij, zich schijnbaar niet bewust van het feit dat er vijf man in de zaal zit. Nummer zes en zeven, zo wordt stilaan pijnlijk duidelijk, komen niet meer opdagen. De man raadt ons aan niet te hevig recht te staan om niet “cock-eyed” te worden. Actual words. Het is op dit moment dat ik de wanhoop in mijn vriendins ogen voor het eerst opmerk. “Gladys, hier is helemaal geen sfeer en er is nog helemaal niet gedanst en we worden hier betast? Eigenlijk wil ik naar huis.” Toegegeven, ik had me bij een “dansshow” ook eerder een rijtje mannen in regenjassen en met paraplu’s voorgesteld die zich in één ruk van hun outfit zouden ontdoen op de legendarische beats van ‘It’s raining men’, maar dat komt misschien nog? Al begint het hier eigenlijk steeds meer op een slecht georganiseerd bordeel te lijken…

Het absolute dieptepunt komt wanneer de host er de gastenlijst (al is “lijst” misschien wat overdreven) bijhaalt en een stoel op het podium zet. Het gevoel dat ik op dit moment ervaar, kan het best vergeleken worden met de zenuwslopende minuut waarin je weet dat de middelbare schoolleerkracht op het punt staat iemand aan te duiden om een spreekbeurt te geven die eigenlijk niemand heeft gemaakt. Met opengesperde ogen bid ik tot alles wat me dierbaar is dat onze namen niet worden afgeroepen.

Thank God. De eer is aan het meisje naast ons, die er ook niet meteen overdreven enthousiast uitziet wanneer ze plaatsneemt in de ‘Hotchair’. De host deelt luchtig mee dat iedereen aan de beurt komt. Shit. Je bent echter wel verplicht dollarbriefjes mee te brengen naar de stoel. Die mag je dan “overal steken waar je wil dat zij het uit komen halen.” Shit. Wanhopig kijk ik opzij, maar wat ik daar zie, is nog veel erger. Een van de aanwezige dames en een medewerker staan bronstig te dry humpen tegen het amateuristische decor. Shit shit shit. Ik wil mezelf niet afvragen hoeveel dat vrouwtje voor dit tafereel moet neertellen. Ik voel dat alle kleur mijn gezicht verlaten heeft en zie dat ook mijn metgezel alle levenszin verliest. Nogmaals vraagt ze mij of we alsjeblief naar huis kunnen, maar ik kan geen woord meer uitbrengen. Het idee de volgende te zijn die het podium op moet, maakt ons misselijk.

Wanneer het slachtoffer op de Hotchair getrakteerd wordt op de eerste dansact, heb ik het laatste greintje hoop op een degelijke show al lang laten varen. Hoewel het op dit punt onmogelijk lijkt nog meer teleurgesteld te kunnen worden, gebeurt dat toch. Drie ronduit spauwlelijke mannen komen het podium op in iets wat lijkt op een verfrommelde pyjama. Het moet een matrozenpak voorstellen. Verkrampt beginnen ze een dansje waarbij ze elkaar moeten observeren om zich de moves te herinneren. Ze schuren op de meest traumatiserende wijzes tegen het meisje aan. Ik heb me nog nooit zo beschaamd en gedwongen gevoeld. Hoe kan dit in vredesnaam dezelfde show zijn die wordt opgevoerd voor vijfhonderd mensen? Hoe kan dit dezelfde ervaring zijn waar mensen vol lof over schrijven? Het lijkt alsof de organisatoren bij het gebrek aan publiek gewoon de volledige show hebben geschrapt en ons van zo veel mogelijk geld willen beroven. Ik besef dat het nu of nooit is en geef gehoor aan de smeekbedes van mijn vriendin. Zo subtiel mogelijk verzamel ik mijn spullen, alsof er effectief een kans bestaat dat veertig procent van het publiek onopvallend naar buiten kan hollen. We halen diep adem, staan recht, negeren de verontwaardigde “You’re leaving?!” van het personeel en banen ons een weg uit deze martelkamer. Even denk ik aan de meisjes die met z’n drieën (!) overblijven, maar nu is het ieder voor zich.

We dwalen door de straten van New York City. We lachen. We zwijgen. We proberen dit een plaats te geven. Uiteindelijk spenderen we onze laatste avond in de Irish Pub. Omdat een liter Guinness mij tenminste nog nooit ongevraagd heeft bepoteld.